Dit boek heeft geen notenapparaat. Noten zijn stom, dichtgetikt en pedant. Elke gedachte heb ik, net als elke voorganger van me, gehoord van iemand anders, zelf bedacht, of slim gecombineerd. Neem contact met me op, als je over specifieke inzichten of stellingen meer achtergrond wil.
THE LAST AGE OF MAN
En de mythe van vooruitgang
They haven’t got no noses,
The fallen sons of Eve;
Even the smell of roses
Is not what they supposes;
But more than mind discloses
And more than men believe.
Chesterton, G.K. 1954
Woord vooraf
Normaal gesproken lopen Beer en ik een halfuur over de dijk langs het kanaal, maar vanochtend maken we na een paar honderd meter rechtsomkeert. Het is koud. Droog en koud, zoals de Nederlandse winter kan zijn, er staat een guur windje. Mijn hond steekt haar neus in de lucht en ruikt kennelijk een heleboel dingen die haar aandacht trekken. Ik probeer juist alles wat bij mij uitsteekt in te trekken: mijn oren, mijn neus, mijn voorhoofd. Onwillekeurig snuif ik toch even de ochtend op. Dat zal wel een soort spiegelreflex zijn als gevolg van het gedrag van mijn hond. Maar waar zij van alles lijkt te ruiken, komt er bij mij alleen een soort droge metalige kou binnen. Het doet pijn aan mijn holtes.
Thuis ligt mijn jongste zoon op de bank onder een dekentje. Hij is een beetje ziekig: beetje warm, last van zijn keel, verkouden en hoofdpijn. Ik ben zo’n overdreven bezorgde ouder die al bij de lichtste verhoging paniekerig wordt. Dus ik zit de hele dag naast hem op de bank en kijk mee met de eindeloze stroom aan TikTok-filmpjes die op zijn iPad voorbijkomt. Om de zoveel tijd druk ik bijna instinctief mijn gezicht in zijn volle bos krullen en adem diep in door mijn neus. Hij ruikt ook ziek. Of nou ja, ziek? Geen idee hoe ik weet dat zijn geur erop duidt dat hij ziek is. In ieder geval ruikt hij anders dan normaal. En op de een of andere manier zegt het me dat hij niet helemaal fit is.
De centrale verwarming in ons huis loeit op een stabiele 22 graden. Dat is eigenlijk iets te warm, dat kun je zien aan de kamerplanten. Ze krijgen geen nieuwe scheuten meer en een paar bladeren zijn geel geworden. De lucht voelt ook niet prettig. Waarschijnlijk is de luchtvochtigheid te laag, je huid wordt daar droog van en begint te trekken. En je merkt het ook aan je neus. De lucht voelt heel anders dan bijvoorbeeld op een bergtop, of na een regenbui. De frisheid daarvan maakt dat je de energie je lijf in voelt stromen. Die lucht ervaar je als open en transparant. Dit voelt grauw en gesloten.
Mijn iPhone laat me foto’s zien van een paar jaar geleden. In 2019 was ik op deze dag met mijn gezin in Portugal. We woonden daar het hele jaar. Wat een tijd. Op de foto’s sta ik met mijn oudste zoon in de branding bij Praia da Rocha. Het is half januari, hij heeft net surfles gehad en zijn wetsuit nog aan. Als ik inzoom zie ik dat ie huilt. Hij zal wel een oplawaai van een golf hebben gekregen. Ik draag slippers en een T-shirt met korte mouwen. Ik kan me nu niet eens voorstellen hoe dat voelt. Die warmte in deze tijd van het jaar.
Portugal was niet alleen fantastisch door de hoge temperaturen. Ik voelde me dat jaar dichter bij mezelf dan ooit tevoren. Ik nam voor alles de tijd en genoot meer van losse momenten. Van kleine dingen. Van de kleuren van de natuur, van de warmte van de zon op mijn gezicht, van de geur van de sinaasappelbloesem, van de zachte, volle lucht. Dat soort dingen gaven me een gevoel van rust, van ‘thuiskomen’. De laatste keer dat ik iets soortgelijks heb gevoeld moet in mijn kindertijd zijn geweest.
De sterke zintuiglijke prikkels in een warm, vruchtbaar land verdringen zaken als structuur, plannen en toekomst, naar de achtergrond. Het nu wint simpelweg van al die abstracte dingen.
In zo’n jaar kom je erachter met hoeveel strak zittende laagjes je jezelf hebt bedekt. Die laagjes vormen een sluier om je te beschermen tegen de pijntjes van de winter, om je te wapenen tegen onaardige mensen op je werk, verwachtingen van je familie, de druk van financiële verplichtingen. Een soort eelt op je ziel. En dat eelt op je ziel zorgt, net als bij eelt op je vingers, voor een zeker verlies van gevoeligheid.
Terug in Nederland voel ik de laagjes langzaam weer terugkomen. De drukte in de stad. De chagrijnige koppen van mensen op weg naar werk. De ergernis over de bureaucratie bij de Belastingdienst, het burgerlijke gelul in de buurtpreventie-app, de oeverloze politieke non-discussies op televisie, drie keer per dag natgeregend worden, carrièreverwachtingen, zorgverzekeringen vergelijken, mensen die belangrijk doen maar niks te melden hebben, alleen binnenlands gedestilleerd op een feestje. Je hebt het amper door, maar beetje bij beetje wringt dat het leven uit je. Waarom zijn er hier zoveel van die dingen? Waar komen ze vandaan? En waarom voelen ze zo slecht?
Dat gevoel heb ik niet pas sinds ons jaartje Portugal. Het knaagt al mijn hele leven aan me. De wereld zit vol met dingen die voor mijn gevoel anders zouden moeten gaan dan ze nu doen. Ik denk dat ik een talent heb voor het herkennen van dingen die niet kloppen, die stroef lopen of die niet goed georganiseerd zijn. Het leven is wat dat betreft niet heel anders dan een muziekstuk of goed eten. Een valse noot of een verkeerd ingrediënt pik je er zo tussenuit. Orde gaat over de manier waarop je dingen organiseert. En of die dingen zich dan optimaal tot elkaar verhouden. Als je dat goed doet noem je dat harmonie of balans. In de natuur gaat dat vanzelf, maar mijn conclusie is dat alleen wij mensen er niet zo best in zijn.
Waar al het andere in de realiteit op zoek is naar balans zijn wij in onze westerse cultuur vooral geïnteresseerd in meer. Meer lijkt zo vanzelfsprekend dat we ons maar zelden afvragen of het goed of slecht is.
Onze wereld is duidelijk uit balans. En de lijst van crises lijkt tegenwoordig wel zonder einde.
Global warming, bio-industrie, enorme inkomensverschillen, het mislukken van de multiculturele samenleving, schrijnende situaties in ouderenverzorging, het faillissement van de democratie onder aanvoering van Donald Trump, Er gaan zoveel fundamentele dingen mis dat het wel lijkt alsof er een weeffout in het systeem zit.
En dat brengt ons terug op de dijk bij het kanaal waar mijn hond niet mee wil vanwege het zoveelste welriekende grassprietje. Want wat zou je zeggen als ik je vertelde dat alle misstanden in de wereld hun oorsprong vinden in een slecht functionerende neus?
Inhoudsopgave
Woord vooraf
Inleiding
DEEL 1: Het Einde van een Tijd
Hoofdstuk 1 – De pijl van vooruitgang
Hoofdstuk 2 – De barsten
Hoofdstuk 3 – Een anomalie
Hoofdstuk 4 – Het ogenschijnlijk succes
DEEL 2: Het Verlies van Geur
Hoofdstuk 5 – De moleculaire dans
Hoofdstuk 6 – Het verlies van een chemische realiteit
Hoofdstuk 7 – De enige goede geur is geen geur
DEEL 3: Het Verlies van Emotie
Hoofdstuk 8 – Het hulpsysteem aan het roer
Hoofdstuk 9 – Het emotionele systeem
Hoofdstuk 10 – Twee systemen in één hoofd
DEEL 4: De Tirannie van Taal
Hoofdstuk 11 – De geboorte van de sluier
Hoofdstuk 12 – De gevangenis van woorden
Hoofdstuk 13 – Leven in een fictie
Epiloog: The Last Age of Man
Handleiding om achter de sluier te kijken
Inleiding
Wat vind jij van mensen? Wat vind jij van onze soort?
Ik denk niet dat die vraag vaak gesteld wordt. Wat je van je buurman vindt, van Amerikanen, of van de Islam gaat nog wel eens over tafel tijdens een biertje en een blokje kaas. Maar wat we van onze soort, de mens vinden?
Wat zou je ook moeten antwoorden? Dat is best lastig toch? Mag je überhaupt een negatief antwoord geven? Is dat geen hoogverraad? Kan je zeggen dat je meer van honden dan van mensen houdt? Of meer van bomen? Of dat je de mens maar stom vindt? En wat zeg je dan over jezelf?
We evalueren nooit echt de soort. We komen nooit tot de conclusie: Die mens hè, dat is toch eigenlijk maar een klotebeest? Nee, je kan een hekel hebben aan wespen, of aan katten. Maar niet aan mensen.
Onze status als soort is blijkbaar boven alle twijfel verheven.
Waarom eigenlijk?
Vrijwel iedereen gelooft fanatiek in de superioriteit van de mens. Het maakt niet veel uit, uit welke hoek je komt. Joden, Christenen en Islamieten hebben dit zelfs geëxpliciteerd in hun heilige teksten. Maar ook in Boeddhistische en Hindoeïstische delen van onze wereld wordt er op antropocentrische wijze keihard aan industrialisatie en bio-industrie gedaan. Alsof alles ten dienste staat aan ons.
Die superioriteit zien we niet als een staat maar als een pijl omhoog. Vooruitgang noemen we die pijl. Zelfs de besten van ons geloven er heilig in. Zij moedigen ons aan om die pijl verder omhoog te laten gaan, om beter te zijn. Zij voeden het idee van vooruitgang. Zij maakten een einde aan het absolutisme van de Franse koning en de uitbuiting van de Franse bevolking door de aristocratie. Ook zij waren het die een eind maakten aan de slavernij, zij stemden voor stemrecht voor vrouwen, waren de voorvechters van de schoolplicht, en protesteerden tegen Zwarte Piet. En zij gingen voorop in de bescherming van het milieu, jaren voordat de meesten van ons door hadden dat we iets moesten doen. Dankzij progressieve denkers verandert dat wat slecht is en creëren we samen een steeds betere wereld.
Maar eerlijk, is dat vertrouwen in onze vooruitgang wel terecht?
Ik ben er namelijk niet van overtuigd. Ik zie ook wel de Mona Lisa, de stelling van Pythagoras en nanotechnologie. Maar ik zie ook menselijke problemen die al millennia lang hetzelfde zijn. En andere dingen die meer slachtoffers vragen dan ooit, zoals honger en religieuze conflicten. En lijdt al die zogenaamde vooruitgang nu tot betere levens? Ik weet niet of de verheerlijking van het individu ten koste van de oude familiestructuren nou per se zo goed is. En is materiële welstand nou zoveel belangrijker dan emotioneel geluk? En waarom zijn we nu banger voor de dood dan ooit?
Dus ik vraag het nog een keer.
Zijn we, ondanks al die goede bedoelingen, wel het toonbeeld van vooruitgang? Want er gaat immers genoeg mis. Misschien denk je dat al het slechte ver buiten je invloedssfeer ligt en dat een stel machtswellustelingen en hebberigen het voor de rest verkloot. Maar is er misschien meer aan de hand dan een stel klojo's die zich onbehoorlijk gedragen? Als we de aso's en het tuig wegdenken, blijft er dan een soort over die het wel lekker doet? Denk de dictators, de fundamentalisten, en de psychopaten even weg, zou deze planeet dan floreren?
Kijk om je heen.
We maken onszelf wijs dat we beter zijn, meer kunnen en weten dan al het andere op deze wereld. Ons vertrouwen in onze superioriteit is rotsvast. Wij hebben onszelf op een voetstuk geplaatst, en de rest van de wereld aan ons onderworpen. De planten en dieren zijn niet langer andere organismen op een gezamenlijke evolutionaire ontdekkingstocht, maar doorgefokte, naar onze behoefte geoptimaliseerde productie-eenheden. Het is zo erg dat we onszelf niet eens meer als dieren beschouwen. De andere dieren gedogen we zolang ze zich bewegen binnen een door ons afgebakend territorium en zich gedragen op een manier zodat wij geen last van ze hebben. En de gedomesticeerde dieren worden in lange levenloze stallen omgezet tot biefstuk en gehaktbal, met als enige doel om onze onstilbare honger te bevredigen. We kappen voetbalvelden bos per minuut om plaats te maken voor onze boterhammen en avocado's.
We do as we please, zonder ontzag voor iemand of iets anders.
En het resultaat ken je.
75 procent van de aardoppervlakte en 66% procent van de oceanen is ernstig gewijzigd door de mensheid. Sinds 1970 is de landbouw voor voedsel met 300 procent toegenomen en industriële visserij vindt plaats in meer dan 55% van de oceanen. De wereld heeft een derdevan haar bossen verloren, waarvan de helft in de afgelopen eeuw. En de vervuiling door plastic alleen al is sinds 1980 met een factor tien toegenomen.
Onze natuurlijke bronnen raken op. Volgens experts hebben we over honderdvijftig jaar de gehele voorraad kolen verbruikt. Die voorraad is in miljoenen jaren tijd ontstaan, dus op is op. Fosfor, een stof die nodig is om planten en botten te laten groeien, wordt nu zoveel gebruikt in de landbouw dat het waarschijnlijk over vijftig jaar op is. Gas en olie zijn ook over vijftig jaar op, zoet water wordt op steeds meer plekken in de wereld schaars.
Onze levensstijl spuugt zoveel afval uit dat het op onze stranden weer aanspoelt. We weten nu al niet meer waar we ermee naar toe moeten en de afvalproductie per persoon stijgt alleen maar verder, net als de bevolkingsaantallen zelf.
Onze planeet is behoorlijk klaar met ons.
En wij met onszelf.
Een op de vijf Nederlanders krijgt met depressie te maken. 1,4 miljoen werkende Nederlanders kampt met burn-out verschijnselen. De helft van alle Nederlanders boven de 18 heeft last van overgewicht. De kwaliteit van het zaad van mannen loopt snel achteruit. Stress en voeding zijn twee oorzaken, maar ook de sigaretten van rokende moeders schijnen funest voor de vruchtbaarheid van hun mannelijke nakomelingen te zijn.
Cocaïne en xtc gebruik is onder studenten de gewoonste zaak van de wereld. Meer dan de helft geeft aan er wel eens van te snoepen. En alcohol is in de wereld van de mens zo gewoon als thee en koffie.
Dat zegt toch ook wel iets, zo'n enorme behoefte aan middelen die een grote invloed hebben op hoe je je voelt en hoe je je gedraagt? Zijn die cijfers geen bevestiging van een soort die niet zo heel gelukkig is met zijn leven?
En dan hebben we het nog niet over de atoombom gehad. Over de gentechnologie. Over de drones, de deepfakes, de surveillancestaten. Over de middelen die we hebben ontwikkeld om elkaar uit te roeien.
De wereld is op, en ook wij lijken op onze laatste benen te lopen. Dit zijn de symptomen van een soort die in een ernstige crisis verkeert.
Maar dit wist je al! Dit lees je elke dag. En toch verandert er niets. Dus we moeten onszelf een andere vraag stellen. Wat maakt dat we niet kunnen stoppen? Ligt het misschien aan ons? Zijn wij het probleem? Zijn wij misschien niet zo superieur als we denken?
Sinds Darwin weten we dat God de wereld niet heeft gemaakt. Sinds Copernicus dat de aarde niet het centrum van het universum is. En sinds Freud dat we minder rationeel zijn dan we dachten. Dit is opnieuw een moment voor bescheidenheid.
Na het lezen van dit boek weet je dat de mens niet het resultaat is van een evolutionaire pijl omhoog. Dat wij niet het toppunt van complexiteit zijn. En dat vooruitgang, zoals we dat tot nu toe definiëren, misschien wel catastrofaal is voor ons en voor de wereld.
Wat we vooruitgang noemen is een mythe. Wat we beschaving noemen is een compensatiemechanisme. Wij zijn niet Gods’ creatie, niet het meesterwerk van de evolutie. We zijn maar een evolutionaire specialisatie, aan het eind van haar pad.
Dat is de these. Nu het bewijs.
Deel 1: Het Einde van een Tijd
Hoofdstuk 1 De pijl van vooruitgang
‘… en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.’
Over het algemeen beschouwen we evolutie als een opwaartse pijl. Wij geloven dat de mens, met zijn taal en zijn werktuigen, zijn kunst, wetenschap en moraliteit, het magnum opus van de schepping is. Maar wat als onze westerse cultuur niet de belichaming van beschaving is? Wat als de pijl niet naar boven wijst, maar snel aan het afbuigen is naar beneden?
Ons idee van vooruitgang is al oud. Het is niet een wetenschappelijk bewezen conclusie. Het is een perceptie, iets wat we vinden. In die ordening staat de mens tegenover wat hij niet wil zijn. Niet-dierlijk. Niet-natuurlijk. Niet-impulsief. Niet overgeleverd aan drift, toeval of omgeving. Beschaving begint daar waar controle ontstaat. Controle over het lichaam, over de zintuigen, over de natuur.
In onze westerse cultuur kreeg deze scheiding al vroeg vorm. Plato maakt van de waarheid iets objectiefs. En die waarheid kon alleen met de rede ‘gedacht’ worden. Denken werd het instrument waarmee de mens zich losmaakte van wat hem eerder ‘een dier’ maakte.
Bij Aristoteles krijgt dit een hiërarchie: emotie en waarneming zijn lagere vermogens die door de rede moeten worden bestuurd. Augustinus voegt daar een morele dimensie aan toe: het lichaam en zijn impulsen leiden af en moeten beteugeld worden. Met René Descartes wordt abstractie definitief: zekerheid ligt in het denken zelf, niet in wat de wereld zintuiglijk teruggeeft. Beschaving betekende na drieduizend jaar: het temmen van het dierlijke.
Dat dierlijke kreeg een naam, een figuur, een rol in het denken. De primitieve, de wilde.Niet als concrete bestaande mens, maar als tegenbeeld. Als noodzakelijke onderlaag waartegen vooruitgang zich kon afzetten. De primitieve belichaamde wat overwonnen moest worden: drift, emotie, nabijheid, afhankelijkheid van natuur. De beschaafde mens verheft zich boven het concrete.
Dit bouwwerk is een dragende structuur van onze westerse cultuur. Het keert terug in filosofie, in moraal, in opvoeding, in politiek. Emotie wordt iets om te reguleren. Lichaam iets om te disciplineren. Natuur iets om te beheersen. Wat niet in woorden of regels past, wordt verdacht.
Met de opkomst van het moderne denken krijgt deze structuur richting. Geschiedenis wordt een pijl. Niet langer een herhalend verhaal van natuurlijke cycli, maar een beweging omhoog. Van ruw naar verfijnd. Van instinct naar inzicht. Van natuur naar cultuur. Van afhankelijkheid naar autonomie.
Volgens dit perspectief is vooruitgang niet alleen wenselijk, maar voorwaarde om mee te mogen blijven doen. Wie dichter bij natuur blijft, loopt achter. Wie zich laat leiden door gevoel, is onvolwassen. Wie niet abstraheert, begrijpt niet. Rationaliteit wordt niet slechts een middel, maar een morele maatstaf.
De Verlichting geeft deze beweging haar definitieve vorm. Rede wordt universeel. Meetbaarheid wordt waarheid. Wat niet aantoonbaar is, verliest de wedstrijd. Wat wel meetbaar is, kan worden verbeterd, opgeschaald, geoptimaliseerd. Vanaf dat moment lijkt vooruitgang niet langer een idee, maar noodzakelijke pijl omhoog.
De moderne wereld lijkt het idee van vooruitgang te bevestigen met indrukwekkende cijfers. Mensen zijn gezonder dan tijdens de Middeleeuwen en Industriële revolutie. Levensverwachting neemt toe. Kindersterfte daalt. Ziekten worden beheersbaar. Productiviteit groeit. Kennis explodeert. De wereld wordt overzichtelijker, voorspelbaarder, bestuurbaar. Het lichaam wordt gemonitord. De samenleving georganiseerd. De natuur gemodelleerd. De toekomst gepland.
In dit beeld verzuipt de mens niet langer in een oceaan van schijnbaar willekeurige incidenten, maar wordt hij de centrale actor. Niet onderdeel van, maar verheven boven. Niet reagerend, maar anticiperend. Niet afhankelijk, maar autonoom. Vooruitgang krijgt zo een duidelijke richting: weg van het dierlijke, weg van het zintuiglijke, weg van nabijheid. Naar controle.
De pijl wijst omhoog. Althans, dat zeggen we tegen onszelf.
Dat is alleen maar waar omdat we steeds meer worden, wat we zelf ooit als ideaal hebben bepaald. Onze cultuur is een verzameling idealen en instituties die dit ideaal bevestigen. Het is het verhaal waarin onderwijs, wetenschap, technologie en beleid elkaar herkennen en versterken. Het is het verhaal waarin menselijke superioriteit geen stelling is, maar het doel. Dit is de pijl van vooruitgang.
Hoofdstuk 2: De barsten
“Whom the gods would destroy, they first make mad." - Euripides
Problemen horen bij elke samenleving, bij elke tijd. Ze ontstaan, verschuiven, verdwijnen weer. In onze tijd lijken de problemen echter geen incidenten. Ze ontstaan niet los, of tijdelijk, maar zijn wijdverspreid en ze lijken elkaar vaak te versterken. Opvallend genoeg lijken ze het meest problematisch op plekken in de wereld waar het vooruitgangsverhaal het meest consequent is doorgevoerd.
We raken uitgeput. Niet van de ene op de andere dag maar wel structureel en steeds sneller. Bodems verliezen hun vruchtbaarheid. Ecosystemen worden fragieler. Soorten verdwijnen sneller dan herstel kan bijhouden. Natuurlijke systemen functioneren nog, maar met steeds minder marge. Wat ooit vanzelf ging, moet nu met prioriteit gecorrigeerd worden. Wat zichzelf reguleerde, is nu een zorgendossier.
In Nederland is de biodiversiteit teruggelopen tot circa 15–20% van wat ecologisch mogelijk is; rond 1900 lag dat nog rond 40%. Meer dan 85% van de oorspronkelijke natuur is verdwenen of sterk gedegradeerd door landbouw, ontwatering en verstedelijking. Populaties van insecten en weidevogels zijn sinds 1900 met 60–80% afgenomen, waardoor ecosystemen aantoonbaar minder veerkrachtig zijn.
Ook de mens raakt uitgeput. In samenlevingen met ongekende welvaart, veiligheid en medische zorg nemen burn-out, depressie en angststoornissen toe. Medicatie wordt een normaal onderdeel van dagelijks functioneren. Overprikkeling is geen uitzondering meer, maar een wijdverbreide ervaring. Rust, aandacht en herstel worden schaars en moeten georganiseerd worden.
Daarnaast is er een moeilijker te benoemen verschijnsel, dat zich niet eenvoudig laat meten maar hardnekkig aanwezig is. Een ervaring van leegte ondanks overvloed. Van verveling ondanks eindeloze prikkels. Van cynisme waar ooit engagement zat. Het leven beweegt voort, maar raakt niet. Betekenis wordt iets wat gezocht moet worden, terwijl functioneren, in de vorm van productiviteit, efficiëntie en continuïteit, vanzelfsprekend is geworden.
Deze drie lijnen, ecologisch, psychisch en existentieel, worden doorgaans afzonderlijk besproken. Ze vallen uiteen in disciplines, dossiers en oplossingen. Milieuproblemen vragen technologische innovatie. Mentale klachten vragen therapie of medicatie. Zingeving wordt geprivatiseerd of uitgesteld.
De signalen worden benoemd, gemeten en beheerd. Ze zijn onderdeel geworden van beleid, van zorg, van innovatieagenda’s. Iedereen krijgt een deel van de klus. Een eigen probleem om te analyseren. Een eigen aandoening om te fixen.
Die verdeling maakt handelen mogelijk, maar creëert ook haar eigen valkuil. Problemen worden afgebakend voordat ze begrepen zijn. En niemand adresseert de onderliggende oorzaak. Niet omdat zij verborgen is, maar omdat niemand meer voor de mens in zijn totaliteit spreekt.
Wie de signalen naast elkaar legt, ziet iets anders. Niet een verzameling losse crises, maar een samenhangend symptoombeeld. Niet uitzonderingen, maar patronen. Ze treden gelijktijdig op, in dezelfde samenlevingen, onder dezelfde voorwaarden.
Als een dierenarts een paard onderzoekt, kijkt hij niet alleen naar afzonderlijke klachten, zoals een verminderde eetlust, een doffe vacht, onverklaarbaar gewichtsverlies, of gedragsveranderingen. In het geval er meerdere symptomen zijn, zoals nu bij ons, gaat hij op zoek naar een onderliggende oorzaak. Wat is er mis met het paard dat het zoveel ziekteverschijnselen vertoont? Welke aandoening zit er onder al deze verschijnselen?
Nu zijn wij geen paarden. En ik geen dierenarts. Gelukkig maar, anders waren we misschien wel linea recta naar het abattoir gestuurd. Wij zijn mensen. En dus beginnen we, ondanks alle pijntjes, aan een poging tot diagnose.
Hoofdstuk 3: Een anomalie
"Every evolutionary specialization is a potential dead end." — Stephen Jay Gould (geparafraseerd)
De uitdagingen van vandaag zijn geen losse problemen. Dit is geen pech. Dit is geen toeval. Er is een oorzaak die ernstiger is dan de meeste lezers zullen vermoeden. Hij ligt versleuteld in onze evolutie. Onder ons ogenschijnlijke succes zit een systeemfout die ons nu opbreekt.
Kan dat, hoor ik je zeggen? Een evolutionaire fout? Evolutie is toch zonder richting?
Nou, dat is niet helemaal waar. Evolutie is eigenlijk een soort selectiemechanisme. In de natuur zitten allerlei krachten, zoals spontane mutatie, die ervoor zorgen dat er steeds kleine afwijkingen ontstaan. Die veranderingen worden getest in de omgeving waarin ze optreden. Als een nieuwe variant het een tijdje goed doet in een specifieke omgeving en tijd, blijft het bestaan. Sterker nog, als het nieuwe het beter doet dan het oude wordt het oude vaak verdrongen. So far so good. Dat nieuwe, want dat is de mens evolutionair gezien, is een tijdje succesvol, zou je kunnen zeggen. We zijn met veel, en maar weinig dingen in deze wereld bedreigen ons voortbestaan. Wij zelf misschien, maar dat is het wel.
Waar zit dan het probleem? Die zit hem in de omgeving. Evolutie gaat niet alleen over de verandering zelf, in dit geval de mens. Evolutie gaat over de relatie tussen de verandering en de omgeving. Het succes van de verandering kan natuurlijk nooit groter worden dan de omgeving kan dragen. Of natuurlijk de verandering zelf kan dragen. Zoals wanneer onze verandering bijvoorbeeld leidt tot onvruchtbaarheid of vetzucht. Of zoals een giraffe die zo’n lange nek krijgt dat hij niet meer goed kan rennen.
Die evolutionaire wet is meedogenloos.
Het leukste voorbeeld is de Siciliaanse olifant. De evolutionaire specialisatie van de olifant is haar grootte. Niet als toeval, maar als strategie. Door groot te worden, verdwenen natuurlijke vijanden, vertraagde het leven en ontstond ruimte voor geheugen, leren en sociale overdracht. Grootte is hier geen eigenschap, maar een evolutionair specialisme. Nu was tijdens de ijstijden de zeespiegel veel lager dan nu en olifanten konden, door korte stukken te zwemmen of door landbruggen te gebruiken, de eilanden in de Middellandse Zee bereiken. Na het smelten van het ijs waren deze olifanten afgesloten van het vasteland en veroordeeld tot hun kleine eiland. Maar waar op het vasteland olifanten over grote afstanden trekken om voedsel te vinden, zijn ze op een eiland overgeleverd aan een beperkte voedselvoorraad. Met als resultaat een olifantensoort die niet groter werd dan een meter hoog. Hoe schattig. Terwijl hun opa's op het vasteland toch gauw een meter of drie hoog werden. De Siciliaanse olifant was in een dwergolifant geëvolueerd omdat de oorspronkelijke specialisatie, de grootte, niet langer ondersteund werd door de omgeving.
Zo komt dus een eind aan een evolutionair pad, aan een specialisatie.
Iets vergelijkbaars gebeurde met de Tyrannosaurus Rex. Door de inslag van een meteoor degradeerde van de ene op de andere dag het grootst levende landroofdier dat ooit bestaan heeft tot het meest kwetsbare dier op aarde. Gewoon omdat er te weinig voedsel over was in de veranderde omgeving. Een minder spectaculair voorbeeld: de lange flapneus van de mannelijke zeeolifant was ooit een succes omdat vrouwtjes grootte associëren met succes. Ja ja, size matters. Inmiddels is die neus zo groot dat hij constant vol zit met parasieten.
Zo loopt elke specialisatie op een gegeven moment tegen haar grens aan. Dan is er te weinig eten. Of te weinig ruimte. Of het specialisme levert voorbij een bepaald punt meer nadelen dan extra voordeel op. En in een zeldzaam geval vernietigt de verandering haar eigen ecosysteem. Zo was er ooit de cyanobacterie. Die had als evolutionaire verandering fotosynthese. Dat was evolutionair briljant, want door het omzetten van zonlicht boorde het een enorme bron van energie aan. Voor de rest van al het leven op aarde was het minder leuk. Een afvalproduct van de fotosynthese was zuurstof. Iets wat in grote hoeveelheden catastrofaal was voor de hele biosfeer. Bijna al het oude leven verdween.
Een andere evolutie die iets vergelijkbaars aan het doen is? De mens.
De stelling van dit boek is nieuw. Er is namelijk geen consensus over wat nu de specialisatie van de mens is. Sommigen noemen bipedalisme, het vermogen om rechtop te lopen. Anderen denken opponabele duimen waarmee we gereedschap kunnen maken. Dan zijn er die ons grote brein noemen en weer anderen noemen taal. Dit boek is nieuw omdat het voor het eerst al deze bijzonderheden herleidt tot één grote evolutionaire specialisatie. Een specialisatie die inmiddels, zoals de flapneus voor de zeeolifant, onze eigen grootste bedreiging vormt.
Het begint op de plek waar je het misschien niet verwacht.
Met het verlies van ons reukvermogen. Wist je dat wij het slechtst ruiken van alle dieren? Dat is geen toeval. Daar begint onze specialisatie. Door het verlies van geur verloren we het vermogen om de moleculaire uitwisseling met onze omgeving te ervaren. Die ervaring was tot dan toe de belangrijkste input van ons brein.
Bij gebrek aan input verloren de belangrijkste systemen van ons brein aan belang en deden een stapje opzij ten faveure van een systeem dat tot dan toe slechts een hulpsysteem was. Het systeem dat terugkerende ervaringen categoriseert en onze reactie automatiseert. Dat is de tweede grote evolutionaire verandering.
Dat hulpsysteem veranderde de functie van een paar gebieden. De belangrijkste daarvan is abstracte taal. Dat is de derde grote evolutionaire verandering.
Door deze specialisatie zijn we veranderd van dieren die concreet en direct in de wereld leven naar dieren die zichzelf buiten de wereld plaatsen en haar objectiveren. Waardoor betekenis, moraal, besluit, emotie en kennis losgeraakt zijn van de realiteit. Ons unieke onvermogen om de 'realiteit' te ervaren doet ons steeds vaker botsen met de 'echte realiteit'. We bedenken continu dingen die de wereld en onszelf opvreten en kapot maken. Wij verbruiken onze omgeving op. En worden daarmee een gevaar voor ons eigen voortbestaan. Een evolutie op zijn einde. Een olifant op Sicilië.
We hebben oplossingen nodig. Maar we kunnen niet op dezelfde weg doorgaan met het verzinnen van oplossingen. Voordat we verder gaan moeten de diagnose durven stellen. Want wat als de problemen niet oplosbaar zijn zolang we niet naar onszelf kijken. Wat als alle symptomen die we nu ervaren wijzen op een constructiefout?
Dan verandert de aard van de vraag. Dan gaat het niet langer om wat wij doen, maar om wat wij zijn. Dat is de vraag die dit boek stelt. Niet: hoe redden wij de aarde, onszelf, de toekomst?
Maar: wat voor wezen is het dat deze vragen moet stellen?
Het antwoord dat in dit boek gegeven wordt is ongemakkelijk. Het luidt: de mens is niet wat hij denkt te zijn. Niet het redelijke dier dat zichzelf verheft. Niet de kroon op de evolutie. Niet de soort die zichzelf kan corrigeren als hij maar genoeg weet, genoeg wil, genoeg samenwerkt.
De mens is een anomalie. Een evolutionair experiment dat te ver is doorgeschoten. Een dier dat zichzelf is kwijtgeraakt in haar eigen succes. Dit boek onderzoekt die anomalie. Niet om te veroordelen. Maar om de deur te openen voor reparatie.
De diagnose die hier wordt gesteld is niet nieuw in al haar onderdelen. Filosofen, biologen, antropologen en psychiaters hebben stukken ervan eerder beschreven. Maar op zichzelf leiden die vragen tot een andere conclusie dan samen. De ecologische vraag bleef gescheiden van de psychologische. De evolutionaire vraag bleef gescheiden van de existentiële. Elke discipline bewaakte haar eigen terrein. Dit boek doorbreekt die verdeling.
Het stelt één vraag, dwars door de disciplines heen: wat als de mens niet tijdelijk ontspoord is, maar structureel? Om te begrijpen hoe we hier kwamen, moeten we terug naar het begin. Naar een tijd dat we nog verbonden waren. Naar de moleculaire dans waaruit alles ontstond. En naar het moment dat wij, als enige, ons ervan lossneden.
Hoofdstuk 4 – Het ogenschijnlijk succes
"Man's conquest of Nature turns out, in the moment of its consummation, to be Nature's conquest of Man." — C.S. Lewis, "The Abolition of Man"
Lang overkwam het leven ons. Ons bestaan was een opeenstapeling van overstromingen, plagen, ongelukken, ziektes en domme pech. Het toeval regeerde je lot en wij, mensen, hadden er nauwelijks invloed op.
Wie onderdeel is van de wereld, ervaart de werkelijkheid niet als iets dat onafhankelijk van hem of haar bestaat. Het moment en de context dicteren alles. De regen valt, het vee sterft, een kind wordt ziek, een wond raakt geïnfecteerd. Er zijn alleen maar directe concrete ervaringen, zonder verwachtingen of logische verbanden. Er is geen vooruitzicht, geen overzicht, alleen reactie. Wat gebeurt, dat gebeurt.
Lang was dat de menselijke conditie. Niemand werd oud. Twee op de drie kinderen stierven jong. Vrouwen bezweken tijdens de bevalling. Honger, infecties en roofdieren bepaalden het leven. Niet af en toe, maar structureel. Het bestaan was precair en onvoorspelbaar. Overleven betekende opletten, reageren, meebewegen. Maar ergens in ons verleden gebeurde iets dat alles veranderde. Niet ineens maar geleidelijk en onopgemerkt. We kwamen los. We stapten uit de stroom die onze realiteit is.
Dat loskomen bleek succesvol. Wie afstand neemt wordt niet langer volledig opgeslokt door het moment, maar kan iets zien wat anders onzichtbaar blijft: herhaling. De winter keert terug. De rivier treedt meestal rond dezelfde tijd buiten haar oevers. Bepaalde dieren jagen vooral ’s nachts. Ziekte treedt vaker op bij slechte hygiëne. Zodra die regelmaat zichtbaar wordt, kan je iets veranderen.
Je slaat voedsel op voordat het schaars wordt. Je houdt ’s nachts vuur brandend. Je bouwt beschutting vóór de regen komt. Je verplaatst je kamp vóór het water stijgt. En uitwerpselen en voedselresten houd je ver van je slaapplek. Het leven wordt zoiets waar je niet alleen op reageert, maar waarop je kunt anticiperen.
Dat lijkt een kleine stap, maar het is een breuk. Voor het eerst wordt het heden niet langer als iets overweldigends ervaren. Er ontstaat een verschil tussen nu en straks. Tussen wat is en wat waarschijnlijk zal komen. En precies in dat verschil zit de kiem van abstractie.
Wie eenmaal loskomt van het onmiddellijke, kan niet meer terug. Afstand maakt overzicht mogelijk, maar overzicht vraagt om vastleggen. Wat je herkent, wil je benoemen. Wat zich herhaalt, wil je categoriseren. Wat voorspelbaar is, wil je organiseren.
Zo ontstaat er naast een natuurlijke wereld, een georganiseerde wereld. Waarin het geheel opgedeeld wordt in losse onafhankelijke en verschillende objecten en fenomenen. Zo verandert de wereld van een moleculaire soep naar een verzameling ingrediënten.
Dag en nacht in plaats van een oneindige hoeveelheid contextafhankelijke en subjectieve varianten. Zomer en winter in plaats van graduele overgangen die van vele klimatologische variabelen afhankelijk zijn, en elk jaar weer anders zijn. Tijd om te werken en tijd om te rusten. Binnen en buiten. Eigen en vreemd. Goed en fout. Niet omdat die dingen los en onafhankelijk bestaan in de werkelijkheid, maar omdat het helpt om er grip op te krijgen.
Als mensen in grote groepen bij elkaar leven helpt dit soort objectivering om ervaringen vergelijkbaar te maken. Om dezelfde momenten aan te wijzen. Om dezelfde terugkerende patronen te herkennen. Om op elkaar af te stemmen.
Die afstemming begint met ordening. Met het vastleggen van wat hetzelfde is en wat verschillend. Met het benoemen van wat bij elkaar hoort en wat juist niet. Wat gelijktijdig gebeurt en wat volgt. Wat zich herhaalt en wat uitzonderlijk is.
Neem bijvoorbeeld tijd. De zon komt in juni al rond half vijf op en in december pas uren later. Toch zetten wij het hele jaar de wekker om zeven uur. Niet omdat dat een betere beschrijving van de werkelijkheid is, maar omdat het een bruikbare maat oplevert. Andere dieren bewegen mee met licht en temperatuur. Wij bewegen mee met een abstracte aanduiding van tijd.
Maar de klok beschrijft de wereld niet. Zij vervangt haar door een hanteerbare indeling.
Die schema’s zijn geen beschrijving van de realiteit, maar een vervanging ervan. Door tijd los te maken van natuurlijke variatie en terug te brengen tot een uniforme maat, werd coördinatie mogelijk. Mensen konden afspreken, tegelijk opstaan, tegelijk werken, tegelijk rusten. Samenwerking werd betrouwbaar.
Hetzelfde gebeurde met ruimte. Land werd afgebakend. Routes werden vastgelegd. Gebieden kregen namen. Wat vloeibaar was, werd vastgezet. Wat uniek was, werd vergelijkbaar door het te categoriseren, of te omschrijven in vierkante meters, of door er een monetaire waarde aan te koppelen. Handelingen hoeven niet langer plaats- of persoonsgebonden te zijn. Wat hier werkt, kan daar worden herhaald. Wat vandaag geldt, kan morgen opnieuw worden toegepast.
Dat is de basis van abstractie. Abstractie maakt het mogelijk om ervaringen los te maken van het hier en nu, van de volledige context van het moment. Abstractie is een truc om iets wat eindeloos complex en verbonden is te isoleren en te reduceren tot een paar eigenschappen, waardoor het ogenschijnlijk objectief en categoriseerbaar wordt. Deze versimpelde versie van de werkelijkheid is overdraagbaar. Kennis hoeft niet langer in hoofden te zitten, maar kan worden opgeslagen. Gedrag hoeft niet langer intuïtief te zijn, maar kan worden voorgeschreven. Samenwerking hoeft niet langer persoonlijk te zijn, maar kan plaatsvinden tussen mensen die elkaar niet kennen. Met abstractie verdwijnt de complexiteit van onze realiteit. Dankzij de versimpeling kan je eenvoudig optimaliseren en schalen.
Neem een appel. In de boom is hij nooit alleen maar een appel. Hij begint als bloesem, afhankelijk van temperatuur, licht en timing. Een bij komt langs, of niet. Stuifmeel hecht zich, of niet. Zonder die ontmoeting geen vrucht. De appel groeit langzaam. Water uit de bodem wordt omhooggetrokken door wortels, vermengd met mineralen, vastgehouden door bladeren. Zonlicht wordt suiker. Koolstof uit de lucht wordt vastgelegd in vruchtvlees. Zaden vormen zich in het klokhuis, elk met een eigen potentieel, maar ook met een onzeker lot. Soms kruipt er een worm naar binnen. Soms blijft hij weg. Soms vriest het in het voorjaar en sterft de bloesem. Soms is de zomer te droog en blijft de appel klein. De appel is geen ding, maar een fase in een proces. Een tijdelijk knooppunt in een netwerk van bodem, water, insecten, schimmels, bacteriën, dieren, boom en seizoen.
Pas wanneer de appel wordt geplukt, verandert hij. Hij wordt losgemaakt van die relaties. Hij krijgt een gewicht en een prijs per kilo. In de stad ligt hij in een krat, naast duizend andere appels die ‘hetzelfde’ zijn. Wat overblijft is een object dat verplaatsbaar, vergelijkbaar en uitwisselbaar is.
Abstractie doet dit met alles. Landbouw maakt voedselproductie voorspelbaar en bevolkingsgroei mogelijk. Wetgeving reguleert bezit en gedrag over generaties heen. Geneeskunde verhoogt lichamelijke productiviteit. Wiskunde maakt handel, bouw en administratie reproduceerbaar. Schrift en boekhouding maken geheugen onafhankelijk van het lichaam.
Alles wat complex is, wordt teruggebracht tot deze vereenvoudigde versie van de werkelijkheid. En precies daardoor groeit het. Steeds sneller. Dat succes zien we terug in de explosieve groei die onze soort de laatste millennia doormaakt. Nog geen zeventigduizend jaar geleden stonden we op de rand van uitsterven. Na de Toba-catastrofe (een vulkaanuitbarsting op het eiland Sumatra) bleven er waarschijnlijk slechts enkele duizenden mensen over (ter vergelijk: er zijn op dit moment tussen de 170.000 en 300.000 chimpansees). Vandaag zijn we met bijna acht miljard. Dat is geen toeval en geen geleidelijk proces. Dat is wat er gebeurt wanneer een dier als evolutionaire specialisatie abstractie heeft.
Steeds meer en vaker maakte de unieke handeling plaats voor reproduceerbare procedures die onafhankelijk werden van context, lichaam en relatie.
Neem kennis. Ooit werd kennis van mens tot mens doorgegeven. Door voordoen, door samen handelen, door nabijheid. Leren was traag, relationeel en context gebonden. Wie er niet bij was, leerde het niet. Met schrift verandert dat. Laat staan na de boekdrukkunst. Kennis hoeft niet langer in een lichaam te zitten. Ze kan worden vastgelegd, opgeslagen en doorgegeven zonder aanwezigheid. Wat één mens weet, kan door velen worden toegepast. Niet door doorgeven, maar door abstracte instructie.
Diezelfde beweging zie je in arbeid. Oogsten was ooit een collectieve handeling. Lichamen werkten samen, afgestemd op het seizoen, het weer en de grond. Het was zwaar, traag en sociaal ingebed. Zodra die handeling wordt geanalyseerd, opgesplitst en vastgelegd, kan zij worden overgenomen. Eerst door gereedschap, later door machines. Wat ooit een sociaal ritueel was, wordt een procedure. Wat een procedure is, kan worden versneld. Wat versneld wordt, kan worden opgeschaald.
Hetzelfde geldt voor productie, vervoer en zorg. Handelingen worden losgemaakt van personen. Taken worden gestandaardiseerd. Beslissingen worden geformaliseerd. Wat eerst werd gedaan door iemand die keek, voelde en afwoog, wordt vastgelegd in stappen, schema’s en protocollen.
Dit is een mechanisme dat zichzelf versterkt. En het is vrijwel onmogelijk om eraan te ontkomen. Sinds de achttiende eeuw wordt dit zichtbaar op alle niveaus. Energie wordt losgemaakt van lichaam en moment. Kracht hoeft niet langer geleverd te worden door mensen of dieren, maar kan worden opgeslagen, getransporteerd en ingezet waar en wanneer het systeem dat vereist. Arbeid wordt gemachineerd. Organisatie wordt systemisch. Steden, staten en markten functioneren zonder directe wederkerigheid. Handelingen kunnen uitgevoerd worden zonder context. Waarde krijgt een uniforme drager en wordt daarmee objectief en overdraagbaar.
Dit zijn geen losse innovaties. Het is één beweging. De geleidelijke vervanging van unieke menselijke ervaringen door overdraagbare, schaalbare procedures.
Geen andere soort zette die stap zo ver door. Wat een succes.
En het verhaal klopt. De productiviteit explodeerde. De levensverwachting verdubbelde. Kindersterfte daalde dramatisch. Het leven werd veiliger, voorspelbaarder, langer. Dit is geen mythe, dit is meetbaar resultaat. Dat is toch vooruitgang? Zeker.
Maar de problemen die we vandaag de dag ondervinden zijn even meetbaar en even echt. Zou het kunnen dat wat ons eerder zo succesvol maakte, ons nu aan de rand van de afgrond brengt? Tijd om te kijken waarom abstractie het evolutionaire specialisme van de menselijk soort is.
DEEL 2: HET VERLIES VAN GEUR
Hoofdstuk 5: De moleculaire dans
‘Wanneer mensen wordt gevraagd welk zintuig ze zouden kunnen missen komt reuk boven aan de lijst en zicht onderaan. Dit is een omstreden keuze, aangezien geur een belangrijke rol speelt in veel psychische processen en gedragspatronen. Geur is essentieel voor de werking van de smaakzin; het beïnvloedt iemands seksleven, motivatie en geheugenprocessen (inclusief leren, gezondheid en gevoelens van veiligheid en welzijn, en het heeft een belangrijke overlevings- en alarmfunctie in levensbedreigende situaties. Bovendien, in “competitie”, dat wil zeggen, wanneer meerdere zintuigen gelijktijdig worden gestimuleerd, eindigt de neus vaak als eerste.”
Ons evolutionair succes is evident. Controle. Voorspelbaarheid. Schaal. Veiligheid.Maar evolutie kent geen gratis upgrades. Elke specialisatie sluit iets anders af. Niks is voor niks. Wat leverden we precies in. En wat kregen we ervoor terug? En wanneer vond die ruil plaats?
Dertien miljard jaar geleden werd het universum geboren. Het duurde nog acht miljard jaar voordat onze aarde ontstond, een grote bal lava, met een atmosfeer die giftig was voor bijna elk soort leven dat we kennen. Toen de aarde afkoelde, vormde zich een korst. Water kon blijven staan. 3,5 miljard jaar geleden gebeurde er iets in dat water. Het eerste leven ontstond: de prokaryoot.
Alle levende wezens, van schimmels, rozen tot mensen, delen die prokaryoot achtige als voorouder. De prokaryoot is een hoeveelheid eenvoudige cellen, niet veel meer dan een plasje water met wat moleculen (DNA) erin, omgeven door een dun vliesje. En zij bleven miljarden jaren de enige vorm van leven op onze planeet. Die eenvoudige cellen hadden al iets opmerkelijks. Ze hadden een neusje.
Niet letterlijk natuurlijk, geen uitstekend orgaan, geen neusgaten. Maar wel een vermogen om chemisch waar te nemen. Om te 'ruiken' waar voedsel was. Om te detecteren welke moleculen ‘goed’ voor hen waren en welke gevaarlijk (het onderliggend principe van ‘goed’ is dat moleculen bewegen naar configuraties die energetisch gunstiger zijn dan andere). De celwand (een dun flexibel laagje moleculen) laat bepaalde stoffen door en houdt andere tegen. Of een stof wel of niet wordt doorgelaten hangt af van de omvang, de elektrische lading en de vorm van het molecuul. In gewone mensenwoorden: de cel laat moleculen binnen als de cel er beter van wordt, en weigert moleculen die het voortbestaan bedreigen. Dit is een chemisch testje. Een mini-compatibiliteitscheck, uitgevoerd op moleculair niveau. De moleculen in een cel zijn dus in staat om compatibele en incompatibele moleculen aan de andere kant van de celwand te identificeren. Dat is dat ‘neusje’. Wat wij nu ‘geur’ noemen is de evolutie van dat ‘neusje’.
Tussen de chemische reactie van moleculen van de prokaryoot en ons ruiken zit geen fundamenteel verschil, maar wel een oceaan van tijd. De eukaryoten verschenen, cellen met een kern die het DNA beschermt. Toen de fotosynthetische organismen, de cyanobacteriën, die voor het eerst zuurstof de atmosfeer in brachten. Meercellige wezens ontstonden. Planten en schimmels koloniseerden het land, gevolgd door insecten en andere dieren. Vissen met poten waagden zich op het droge. Reptielen legden eieren die op het land konden overleven. Zoogdieren evolueerden.
Door al die miljarden jaren, door al die transformaties, bleef één ding constant: het chemische zintuig. Het systeem werd uitgebreid, werd complexer, verfijnder, kreeg meer receptoren. Maar het principe bleef hetzelfde. De moleculaire dans. De uitwisseling van alles in de wereld.
Niet alleen eencelligen en bacteriën, maar al het leven op aarde danst zwierig op die maat. De moleculaire dans is de essentie van alles. En wat wij 'ruiken' noemen is ons vermogen om eraan deel te nemen.
Dat systeem hadden we. We hebben het alleen ingeruild.
Het begon drieëntwintig miljoen jaar geleden. Met ons zicht. Tot dat moment was reuk ons dominante zintuig. We deden er alle belangrijke dingen mee, van het vinden van voedsel tot het identificeren van seksuele partners.
Veel daarvan doen we nu met onze ogen, maar zicht was daar tot dat moment veel minder geschikt voor. Dat kwam omdat we er maar beperkt kleurverschil mee konden waarnemen. Dat vermogen om kleuren te zien wordt grotendeels bepaald door gespecialiseerde lichtgevoelige cellen, kegelcellen, of gewoon: kegeltjes. De hoeveelheid kegeltjes verschilt nogal in het dierenrijk. Zoogdieren hebben meestal twee kegeltjes, die noem je dichromaten. Met twee kegeltjes zie je beperkt in het groen en rood. De wereld is vooral een hoop schakeringen bruin.
Mensen hebben drie kegeltjes, maar nog niet zo lang. Nog maar zo’n 23 miljoen jaar. Dankzij dat derde kegeltje zagen we ineens een veel rijker kleurenpallet. En waar we tot dan toe vooral ons reukvermogen inzetten voor het vinden van voedsel en voor onze voortplanting, konden we dat nu ook met ons gezichtsvermogen. Bedenk maar eens hoe belangrijk rood en groen zijn bij voedsel en voortplanting, de twee meest relevante criteria bij het bepalen van evolutionair succes. Een vrucht die rijp is kleurt rood, een kleur die voor een trichromaat, in duidelijk contrast staat tot het groen van de bladeren waartussen de vrucht groeit. Een rijpe appel zie je ineens van grote afstand. Het speelde ook een belangrijke rol in onze seksualiteit. Denk maar aan de grote rode opgezwollen kont waar de baviaan om bekendstaat. En natuurlijk zijn we zelf niet anders met onze schaamlippen en penis, die veel lijken op de helmknop en de stempel van bloeiende bloemen. Geslachtsrijpheid of paringsgezindheid zie je van ver. Je hoeft niet langer van dichtbij te ruiken.
Evolutionair gezien is deze vaardigheid relatief nieuw. De meeste andere zoogdieren kunnen dat dan ook niet. En ook de meeste van onze aap-neven kunnen het niet.
Trichromatisch zicht had overduidelijke evolutionaire voordelen en nam steeds meer functies van ons reukvermogen over. De visuele signalen waren vaak gemakkelijker te detecteren dan door de lucht overgebrachte moleculen. De apen met drie kegeltjes vonden meer voedsel, identificeerden vruchtbare partners sneller, plantten zich vaker voort. En na miljoenen jaren was trichromatisch zicht de norm geworden bij de mens.
Evolutie is geen ingenieur, maar meer een voortdurend experiment, waarin variaties doorbouwen op andere variaties. Wat niet gebruikt wordt verdwijnt niet. Het wordt inactief. Dat zien we terug in de genen die gebruikt worden voor ruiken, die heten olfactorische receptorgenen (OR). OR-genen vormen de grootste gen-superfamilie bij zoogdieren. Een hoog percentage van deze genen bestaat uit zogeheten ‘pseudo-genen’, DNA-sequenties die overblijfselen zijn van niet langer functionele genen.
Nu hebben mensen, niet-menselijke primaten en muizen ongeveer evenveel OR-genen. Je zou kunnen zeggen dat het reukpotentieel bij alle drie op een gegeven moment in de evolutie vergelijkbaar was. Bij mensen is echter een veel hoger percentage hiervan pseudo-gen geworden, zo rond de 60 procent. Dus 60 procent van de genen die we ooit gebruikten voor reuk, zijn nu inactief. Bij niet-menselijke apen is dat ongeveer 30 procent, en bij de muis ongeveer 20 procent. Concreet betekent het dat bij muizen ongeveer 1100 van de oorspronkelijke 1300 reukreceptorgenen nog actief zijn. Bij de mens grofweg 350 genen over van de oorspronkelijke 1000.
Een nog mooiere illustratie van de inruil van reuk voor zicht treffen we aan door naar onze meest nauwe evolutionaire verwanten te kijken. Er is onderzoek gedaan naar de hoeveelheid OR-pseudo-genen bij Nieuwe Wereldapen (Amerika’s), Oude Wereldapen (Afrika en Azië) en Mensapen. Wetenschappers ontdekten dat apen uit Azië en Afrika ruwweg hetzelfde percentage OR-pseudo-genen hebben als mensapen, maar een veel hoger percentage dan apen uit Midden- en Zuid-Amerika. Met andere woorden: bij Oude Wereldapen en Mensapen is het reukvermogen ongeveer evenveel verslechterd. Nieuwe Wereldapen ruiken veel beter. Met uitzondering van éen Nieuwe Wereldaap, de brulaap, het percentage OR-pseudo-genen lag veel dichter bij dat van de mensapen en apen uit Azië en Afrika. Het aardige is: apen uit de Oude wereld, mensapen en de brulaap hebben niet één exclusieve gemeenschappelijke voorouder. Wat ze wel gemeenschappelijk hebben? Drie kegeltjes, daar waar de andere apen uit de Nieuwe Wereld er maar twee hebben. Thrichromatie evolueerde één keer in de gemeenschappelijke voorouder van mensapen en apen van de Oude Wereld, ongeveer 23 miljoen jaar geleden, en één keer in de lijn van de brulaap, ongeveer 7 tot 16 miljoen jaar geleden.
De ogen wonnen. De neus verloor. Steeds meer. Toch was er nog een zetje nodig voor een definitieve capitulatie van de neus. Dat kwam zes miljoen jaar geleden. Tot die tijd leefden onze voorouders in de bomen van Afrika. Hun leven was een korte afstand wereld. De volgende boom was hooguit een paar meter verderop, en zicht werd begrensd door takken en bladeren.
Rond die tijd verlieten onze voorouders de bomen. Of ze werden eruit verdreven, wie zal het zeggen. Maar de savanne was anders dan het bos. De savanne is een lange afstand wereld. Het landschap is open, vlak en uitgestrekt. Althans, als je boven het gras uitkomt. En dat deden we niet. Vergeet niet, in die tijd was onze ooghoogte zo rond de tachtig centimeter. We hadden tot dan toe een gebogen postuur en liepen maar af en toe op twee benen. We keken naar de grond, niet naar de horizon.
Maar met het verdwijnen van de bomen verdween de noodzaak om onze armen te gebruiken om door de bomen te slingeren. En net zoals onze vinnen ooit in vier armen veranderden, veranderden onze achterarmen in de voeten waar we nu op staan. Dat zijn de voeten die rechtop staan en die het op hun beurt mogelijk maakten om boven het hoge gras uit te kijken. Dit verplaatste onze neus verder van de grond. Een groot voordeel voor onze ogen, maar een volgende aderlating voor ons reukorgaan.
'Menselijke evolutie kenmerkt zich door de geleidelijke opkomst van zicht en een steeds beperktere rol voor geur. Het bewijs daarvoor vinden we in antropologische vondsten waarin we zien dat de neus kleiner wordt, en de ogen naar het midden van het gezicht bewogen, om beter diepte te kunnen zien. Tegelijkertijd zorgden het leven in een boomrijke omgeving en een rechtopstaande houding ervoor dat de neus steeds verder af kwam te staan van de grond, met al haar rijkdom aan geuren.'
Ook dit ging geleidelijk, zoals alles in de evolutie. Veel apen stierven vast omdat ze met die twee nieuwe achterpoten minder goed konden vechten of dingen vastpakken. Of omdat ze gewoon pech hadden, bijvoorbeeld in de vorm van een hongerige cheetah. Maar steeds meer van ons stonden op, en steeds meer van ons stonden op met een verbeterd zicht. En degenen die niet werden gegrepen door cheeta’s koloniseerden op den duur de vlaktes van Afrika. Ze zagen de leeuw eerder. Ze zagen de waterbron aan de horizon.
Wat achteraf als grote veranderingen klinkt, vind in de evolutie geruisloos en geleidelijk plaats. Je ruikt iets minder goed dan je ouders. Een fractie maar. Je merkt het niet. Je kinderen ruiken weer een fractie minder goed dan jij. Zij merken het ook niet. En hun kinderen. En hún kinderen. Duizend generaties lang. Of zelfs langer. Tussen het vermogen om kleuren te zien, drieëntwintig miljoen jaar geleden, het moment waarop we uit de bomen klommen 6 miljoen jaar geleden en nu, zitten oceanen van tijd. Genoeg tijd voor een langzame, sluipende verandering. Het verschil was op het moment nooit merkbaar. Het voelde nooit als verlies. Elke generatie voelde normaal.
Toch is er niets normaal aan. We zijn een vreemd product van onze evolutie. Wij ruiken het slechts van alle dieren. We staan stijf onderaan de ranglijst. Bovenaan staan de olifant, de beer, de hond. Een hond ruikt tienduizend tot tien miljoen keer beter dan wij. Waar wij een theelepel suiker in een kopje koffie proeven, herkent een hond diezelfde theelepel in vier miljoen liter water. Twee Olympische zwembaden. Alle zoogdieren verslaan ons. Zelfs onze naaste verwanten, de chimpansees en gorilla's die direct boven ons staan in die lijst, ruiken aanmerkelijk beter. Wij zijn de uitzondering. Wij zijn de anomalie. En die anomalie was het begin van onze verdere specialisatie.
We zien die specialisatie doorgaans als een weg van vooruitgang, een successtory. Maar evolutionaire successtories zijn altijd tijdelijk en altijd gebonden aan specifieke omstandigheden.
Hoofdstuk 6: Het verlies van een chemische realiteit
‘Maar het was de verheffing van de geur die zijn wereld echt veranderde: “Ik had gedroomd dat ik een hond was - het was een olfactorische droom - en nu ontwaakte ik in een oneindig welriekende wereld - een wereld waarin alle andere sensaties, hoewel verbeterd, verbleekten bij geur. "En dit alles ging vergezeld van een soort van trillende, gretige emotie en een vreemde nostalgie, als van een verloren wereld, half vergeten, half herinnerd.
‘Ik liep een parfumerie binnen,’ vervolgde hij. ‘Ik had nooit eerder een neus voor geuren gehad, maar nu onderscheidde ik ze meteen - en ik vond ze allemaal uniek, beeldend, een hele wereld.’ Hij merkte dat hij al zijn vrienden - en patiënten - kon onderscheiden door te ruiken: ‘Ik ging de kliniek in, ik snoof als een hond, en herkende in dat snuifje, voordat ik ze zag, de twintig patiënten die daar waren. Elk had zijn eigen olfactorische profiel, een reukgezicht, veel levendiger en levensechter, sprekender dan welk visueel profiel dan ook. ‘Hij kon hun emoties ruiken - angst, tevredenheid, seksualiteit - als een hond. Hij kon elke straat, elke winkel herkennen, door geur - hij kon zijn weg door New York vinden, onfeilbaar, door geur. Hij ondervond een zekere drang om te snuiven en alles aan te raken (‘Het was niet echt totdat ik het voelde en rook’) maar onderdrukte dit, als hij met anderen was, omdat het hem ongepast leek. Seksuele geuren waren opwindend en toegenomen, maar niet meer, vond hij, dan voedselgeuren en andere geuren. Geurplezier was intens, maar geur ongenoegen ook, maar het leek hem mindere en wereld van louter plezier en ongenoegen maar eerder een hele esthetiek, een heel oordeel en een hele nieuwe betekenis, die hem omringde. ‘Het was een wereld die overweldigend concreet was, vol bijzonderheden,’ zei hij, ‘een wereld overweldigend in directheid, in onmiddellijke betekenis.’ Een beetje intellectueel vóór, en geneigd tot reflectie en abstractie, vond hij nu gedachte, abstractie en categorisering, enigszins moeilijk en onwerkelijk, juist vanwege de meeslepende onmiddellijkheid van elke ervaring. Plotseling, na drie weken, hield deze vreemde transformatie op - zijn reukvermogen, al zijn zintuigen, functioneerden weer normaal; hij was teruggekeerd, met een gevoel van gemengd verlies en opluchting, in zijn oude wereld van bleekheid, zintuiglijke flauwte, niet-concreetheid en abstractie. ‘Ik ben blij dat ik terug ben,’ zei hij, ‘maar het is ook een enorm verlies. Ik zie nu wat we opgeven als beschaafd mens. We hebben de ander nodig - de ‘primitieve’ - als bron. ‘Er zijn zestien jaar verstreken – en studentendagen, amfetaminedagen, zijn lang voorbij. Iets vergelijkbaars heeft hij nooit meer ervaren. Dr. D. is een zeer succesvolle jonge internist, een vriend en een collega van mij in New York. Hij heeft geen spijt - maar hij is af en toe nostalgisch: ‘Die reukwereld, die wereld van geur’, roept hij uit. ‘Zo levendig, zo echt! Het was als een bezoek aan een andere wereld, een wereld van pure waarneming, rijk, levend, intrinsiek bevredigend en vol. Kon ik maar eens teruggaan en weer een hond zijn!’
We beschouwen onze zintuigen meestal als instrumenten die ons helpen om dingen te identificeren. De ogen vertellen ons hoe iets eruitziet en hoe dichtbij het is. De oren vertellen ons hoe het klinkt en vanuit welke richting het naderbij komt. De neus vertelt ons hoe het ruikt. Maar met deze omschrijving doen we de neus tekort.
De neus was nooit alleen maar een hulpmiddel om een eigenschap van een object te identificeren. De neus is ons chemische zintuig. Net als bij de prokaryoot in het vorige hoofdstuk gaan de moleculen in onze neus (receptoren) een chemische reactie aan met moleculen in hun omgeving. Het product van die reactie wordt door ons ervaren als een geur. De geur is dus niet een eigenschap van een object buiten ons, of een eigenschap van ons. Het zegt iets over de relatie. Het vertelt ons of deze twee objecten chemisch compatibel zijn. Dankzij ons reukvermogen zijn we verbonden met de wereld van de moleculen.
Op een fundamenteel niveau is alles een molecuul of een verzameling moleculen. De prokaryoot is een klein zakje moleculen. Wij zijn een heleboel zakjes moleculen. De realiteit in al haar verschijningsvormen is niet meer en niet minder dan een moleculensoep, een eindeloze dans van moleculen die chemische reacties met elkaar aangaan. Moleculen die tegen elkaar botsen, reageren, nieuwe verbindingen aangaan. Wat wij 'dingen' noemen zijn kluwens van moleculen die ogenschijnlijk tijdelijk met elkaar verbonden zijn. Wat wij 'verandering' noemen zijn moleculen die zich op een nieuwe manier met elkaar verbinden. Dit is wat er gebeurt als we ouder worden. Als een rivierbedding wordt uitgeslepen door water. Als je sokken slijten. Als je samen een kindje maakt. Als je eet. Als de zon op je gezicht straalt. En als je iets ruikt. De realiteit is een grote soep elementen die continu uitwisselen, overal waar je kijkt. In de lucht, in een brandend blok hout, in je bloedbaan. Zelfs tussen de lucht en een stuk plastic. En wij zijn er onderdeel van.
Die conclusie is belangrijk. Door te ruiken leven we in de realiteit, in die chemische wereld. Door te kijken stappen we eruit. Zicht creëert afstand. Wat je ziet staat los van je, het is daar, jij bent hier. De wereld wordt iets dat je kunt bekijken, analyseren, objectiveren. Iets waar je buiten staat.
Erwin Schrödinger, de Nobelprijs winnende natuurkundige, benoemde precies dit probleem:
'We step with our own person back into the part of an onlooker who does not belong to the world, which by this very procedure becomes an objective world.'
Door onszelf buiten de wereld te plaatsen, lijkt de wereld objectief. Maar die objectiviteit is een illusie, een gevolg van hoe we kijken, niet van hoe de wereld is. Die schijnbare objectieve wereld die wij zelf hebben gecreëerd fungeert als een sluier over de echte realiteit. Schrödinger heeft nooit op zijn radar heeft gehad dat deze objectivering haar oorsprong vindt in het verlies van ons reukvermogen. Hij had er waarschijnlijk veel voor over gehad om een ervaring te hebben zoals die van Oliver Sacks. Toch hoeven we ons niet vol te gooien met stimulerende middelen om toegang te krijgen tot die grote moleculensoep waarin alles in beweging is, continu uitwisselt en transformeert. Die wereld bestaat nog steeds overal om ons heen.
Kijk naar een baby. En niet alleen als metafoor, maar als een voorbeeld van de vloeibare verbondenheid van alles in de moleculensoep. Een baby start als een eitje van de moeder, tien tot honderd biljoen moleculen. Op dat moment kan je zeggen dat het haar moleculen zijn. Maar je kan er ook een punt van maken dat het al de moleculen van het kind zijn. Dat: is het de een of is het de ander of iets er tussenin, kan je lang volhouden. Na conceptie is er een vrucht, fragiel en met onze ogen bijna niet zichtbaar. Is de vrucht het een of het ander? Een moeder maakt de baby met haar eigen bloed. Elke dag verandert een beetje van haar bloed in een nieuw persoon. De bloedbanen van de moeder en de baby zijn fysiek verbonden, de moleculen wisselen eindeloos uit. Maar de baby groeit. En op een gegeven moment merkt de moeder daarvan de gevolgen. Drukke baby's duwen en schoppen totdat de ribben van de moeder blauw zijn. Hier kun je misschien voor het eerst zeggen dat er een verschil is tussen moeder en baby. Een rustige moeder kan een wilde baby in de buik hebben. De homogeniteit verdwijnt een beetje in de relatie tussen de twee. Bij dertig weken zijn de meeste baby's levensvatbaar. Je zou kunnen zeggen dat dit een belangrijk moment is voor de zelfstandigheid van de baby. En als na de geboorte de navelstreng wordt doorgeknipt is dit een grote overwinning voor het ander. Eindelijk een zelfstandig persoontje.
Of niet?
De baby ruikt de moedermelk en kruipt direct richting de tepels van de moederborst. Een nieuwe moleculaire uitwisseling komt tot stand. De borst is de plek waar de baby de komende maanden het liefst in slaap valt. Het lijkt bijna of hij terug wil in de buik. Waar begint het één? Waar eindigt het ander? En nog stopt het niet.
De rest van ons leven blijven we dit gevoel van intimiteit en uitwisseling zoeken. Totdat we uiteindelijk een levensgezel hebben gevonden die iets van dat gevoel van verbondenheid terugbrengt. Want dat is wat we doen als we relaties aangaan. We versmelten grote delen van ons leven. We gaan reacties aan op elk niveau en door die reacties worden bepaalde delen van onszelf en die van de ander omgevormd tot iets nieuws, tot iets gemeenschappelijks. Iets wat niet meer alleen bij de een of de ander hoort, maar bij die nieuwe verbintenis. En nogmaals. Dat is niet alleen een metafoor. Dat is de chemische realiteit.
Door de chemische reacties met de metgezel ervaar je dat ‘de ander’ helemaal niet bestaat. Ineens boeit het leven van die ander je. Je voelt je medeverantwoordelijk voor zijn of haar zorgen. Je deelt naast het bed ook in de schulden, maar ook in de winsten van gezamenlijke ondernemingen. Je wisselt chemisch uit met behulp van lichamelijke vloeistoffen, die daadwerkelijk een chemische reactie ondergaan en samen iets nieuws creëren. Iets wat niet van het ene individu is en niet van het andere individu, maar van iets daar tussenin. Misschien wel een baby? En hoe mooi is het dat twee lichamen op zo'n moment ook fysiek één zijn? En nog beter, dat er ook iets chemisch plaatsvindt waardoor voor even de grenzen tussen de individuen volledig vervagen?
Bij de andere zoogdieren is deze realiteit vanzelfsprekend. Een dier met een door geur gedomineerde waarneming ervaart de realiteit als interrelationeel, subjectief, interdependent, dynamisch, organisch en voortdurend aan verandering onderhevig. Het ervaart de wereld zoals hij is. Andere levensvormen zijn geen toeschouwer van de wereld maar deelnemer. Alleen bij ons gaat dat anders. Wij zijn verbannen uit die chemische realiteit en worstelen in de door onszelf geconstrueerde wereld van de objecten. Waar we zelf vreemdelingen zijn geworden.
Hoofdstuk 7: De enige goede geur is geen geur
‘En opeens schoot de herinnering mij te binnen. Die smaak, dat was die van het brokje Madeleine dat ik ‘s zondagochtends in Combray (want op die dag kwam ik vóór de mis niet buiten) als ik tante Leonie op haar kamer goedemorgen ging zeggen, van haar kreeg aangeboden nadat zij het in haar zwarte thee of lindebloesemthee had gedoopt. (…) En zodra de smaak van het in lindebloesemthee gedrenkte brokje Madeleine dat mijn tante me gaf had herkend (al wist ik nog altijd niet en moest ik tot veel later de ontdekking uitstellen waarom die herinnering mij zo gelukkig maakte) kwam het grijze oude huis aan de straat waar haar kamer was als een toneeldecor tegen het kleine paviljoen aanstaan…’ (Vert. Thérèse Cornips ISBN 978 90 2349 85 20 blz. 93-94)’
In een casino in Las Vegas werd ooit een experiment uitgevoerd. De onderzoekers vulden een deel van de speelruimte met een aangename geur. De andere helft bleef geurloos. Verder veranderde er niets, dezelfde automaten, dezelfde verlichting, dezelfde mensen. Het resultaat was verbijsterend. In het geparfumeerde gedeelte steeg de hoeveelheid geld die in de gokautomaten werd gegooid met meer dan 45 procent. De gokkers wisten niet waarom ze meer speelden. Ze voelden zich gewoon beter. Ontspannen. Optimistisch. De geur deed zijn werk onder de radar van hun bewustzijn.
Een ander experiment, dit keer met shampoo. In een eerste test vroegen onderzoekers consumenten om verschillende shampoos te beoordelen op algemene prestaties. Eén merk eindigde als laatste. Vervolgens veranderden de onderzoekers alleen de geur van die shampoo, verder niets. In de tweede test beoordeelden dezelfde consumenten dezelfde shampoo, nu als eerste. Ze zeiden dat hij makkelijker uit te spoelen was, beter schuimde en het haar meer liet glanzen. Terwijl alleen de geur was veranderd.
Kate Fox, een Britse antropoloog, beschreef hoe geur zelfs beïnvloedt hoe we anderen zien. In experimenten waarin mensen werden blootgesteld aan aangename geuren, gaven ze hogere aantrekkelijkheidsratings aan mensen op foto's. Onaangename geuren werkten andersom, niet alleen werden gefotografeerde personen als minder aantrekkelijk beoordeeld, ook schilderijen werden als minder professioneel gezien.
Schoonheid zit in de neus van de kijker…
Maar goed, als onze neus nog steeds zo’n invloed heeft op hoe wij de wereld ervaren en op welke keuzes we maken, dan is het de moeite waard om nog een laagje dieper te zoeken dan shampoo.
Misschien wel het meest veelzeggende onderzoek gaat over MHC-genen. MHC genen zijn cruciaal voor je immuunsysteem. Diversiteit in MHC-genen zorgt ervoor dat je minder gevoelig bent voor ziektes. Onder ‘natuurlijke’ omstandigheden zijn vrouwen in staat om de MHC-genen van hun seksuele partner te ruiken. En zij geven de voorkeur aan partners met afwijkende MHC-genen, omdat hun nageslacht dan een meer divers palet aan MHC-genen krijgt. Deze voorkeur voorkomt bijvoorbeeld incestueuze seksuele relaties in de natuur. Een mooi voorbeeld van een realiteit die draait om chemische compatibiliteit.
Maar hier is het probleem. Westerse vrouwen zijn sinds een jaar of vijftig massaal aan de pil. De pil simuleert zwangerschap, en voorkomt zo ovulatie, waardoor vrouwen niet zwanger kunnen worden. Vrouwen die zwanger zijn of gesimuleerd zwanger zijn, hebben meer behoefte aan veiligheid dan vrouwen die zich niet zwanger ‘voelen’. Dat is een biologische reflex. Het lichaam verandert richting bescherming en behoud. Hormonale verschuivingen (vooral progesteron en oxytocine) maken het brein risico-averser, alerter op dreiging en sterker gericht op stabiliteit. Dat is evolutionair logisch: een kwetsbaar lichaam + een afhankelijk nieuw leven vragen om voorspelbaarheid, nabijheid en bescherming. Dat zoeken vrouwen bij familie, dat is evolutionair gezien de groep die je beschermt. Het nadeel? Je familie heeft een genenpalet dat sterk lijkt op het jouwe. Je voelt hem al aankomen.
Door het slikken van de pil voelen vrouwen zich aangetrokken tot mannen die qua genen veel op hen lijken. Niet alleen tijdens hun zwangerschap, maar hun hele pilslikkende leven. Dat betekent dat vrouwen die aan de pil zijn mannen kiezen met dezelfde MHC-genen als zij zelf. Dat zijn mannen die genetisch lijken op hun vader en broers. Het tegenovergestelde van wat biologisch gunstig is. Hier zie je wat voor desastreuze gevolgen het kan hebben als je de neus niet serieus neemt in je cultuur. Hun neus stuurt ze de verkeerde kant op, omdat hun hormoonsysteem in de war is. Je kan je voorstellen dat dit op termijn desastreuze gevolgen heeft voor het immuunsysteem van onze soort.
De voorbeelden hierboven tonen dat, ondanks dat we een groot gedeelte van ons reukvermogen hebben ingeleverd, geur nog steeds een grote rol speelt in ons leven. En niet alleen in de bewuste waarneming, maar ook onbewust, door ons gedrag te sturen, zonder dat we het door hebben. Dus ondanks onze olfactorische handicap zouden we toch nog veel beter en meer kunnen ruiken dan we nu doen.
We komen hier bij een belangrijk punt. We ruiken niet alleen slecht omdat onze neuzen kapot zijn, maar ook omdat we in het Westen zijn opgehouden ze te gebruiken. In veel culturen is geur iets wat je leert herkennen, benoemen en serieus nemen. In het Westen is geur weggeorganiseerd: verstopt achter hygiëne, deodorant en ventilatie.
Er zijn legio culturen waar geur geen privézaak is, maar nog steeds een belangrijk aspect van de sociale dimensie, van de chemische realiteit tussen mensen. In zijn boek The Hidden Dimension schrijft Edward Hall over zijn bevindingen in de Arabische cultuur uit de jaren zestig. Daar was geur veel belangrijker dan bij ons. Waar wij er alles aan doen om de geur van onze adem te maskeren, beschouwen zij hun adem als onderdeel van hun persoonlijkheid. Volgens Edward Hall doet de Arabier geen pogingen om de geur van zijn adem maskeren wanneer hij spreekt. Sterker nog, het ruiken van een vriend zou niet alleen aangenaam maar ook wenselijk zijn. Het zich afwenden van zijn adem is hetzelfde als het afwijzen van die vriend. Arabieren zouden daarmee volgens Hall onderkennen dat er een verband bestaat tussen persoonlijkheid en geur. Dit zie je ook terug bij totstandkoming van een Arabisch huwelijk. Tussenpersonen die ingeschakeld worden bij een gearrangeerd huwelijk vragen vaak om aan de kandidaat te mogen ruiken. Als de kandidaat niet lekker ruikt wordt hij of zij afgewezen. Niet op esthetische gronden, maar omdat een slechte geur een gevolg zou kunnen zijn van ongewenste gevoelens als ontevredenheid of woede. In Arabische landen kan een persoon wiens parfum bijzonder aangenaam ruikt worden gevraagd bij wie hij op bezoek is geweest. Men kent namelijk zoiets als een parfumritueel aan het einde van een etentje. Nadat de dienbladen zijn afgeruimd en de koffie is geserveerd, zal de gastheer of gastvrouw (mannen en vrouwen eten afzonderlijk) de parfumdoos tevoorschijn halen. Voor vrouwen bevat dit vier tot acht flessen parfum en een wierookbrander. De flessen worden rondgedeeld en elke gast zalft zichzelf met de verschillende geuren op verschillende delen van haar lichaam of kleding. Daarna gaat de wierookbrander rond, zodat elke gast zichzelf kan parfumeren met de geurige dampen. Als het parfumritueel is voltooid vertrekken alle gasten richting huis. Het ritueel dient verschillende belangrijke sociale functies. Gasten eren de gastvrouw door hun beste parfums te dragen, en haar sociale status wordt verhoogd door de aangename geuren die ze aan haar gasten doorgeeft. Het ritueel bevordert ook gevoelens van binding en eenheid. Voor de maaltijd geuren de gasten anders dan de gastvrouw, maar tegen het einde van het bezoek is iedereen verbonden door de uitwisseling en de gedeelde geur.
De bevindingen van Hall stammen uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw en de vraag is of er niet veel veranderd is sindsdien. Hastings, Musambira en Ayoub, hebben enkele jaren geleden nog eens zijn publicaties tegen het licht gehouden. Zij vonden bovenstaande rituelen niet meer terug, maar daarbij moet gezegd worden dat ze vooral onderzoek deden onder jonge mensen die in de grote moderne steden in het Midden-Oosten woonden. Het feit dat zij her en der nog wel een glimp van de gebruiken opvingen onder oudere respondenten, zou kunnen betekenen dat Hall’s bevindingen wel juist waren, maar dat geur tegenwoordig ook in de Arabische cultuur inboet aan belang.
Bovenstaande rituelen zijn in ieder geval geen incidenten. In India was de traditionele begroeting, het equivalent van onze omhelzing, het ruiken aan iemands hoofd. Een oude tekst zegt: ‘Ik zal je ruiken op het hoofd, dat is het grootste teken van tedere liefde.’ Op Bali ademen geliefden diep in bij een ontmoeting, een vriendelijk snuiven. Bij de Kanum in Nieuw-Guinea raakt degene die achterblijft bij een afscheid soms de oksel van de vertrekkende aan, om diens geur in zich op te nemen en zo de band vast te houden.
Bij de Ongee op de Andaman-eilanden gaat het nog verder. Hun wereldbeeld is georganiseerd rond geur. De kalender volgt de geuren van bloemen door de seizoenen heen. Ze begroeten elkaar met de vraag: ‘Hoe is het met je neus?’ Wie zich ‘zwaar van geur’ voelt, wordt geholpen door de ander, die diep inademt om overtollige geur weg te nemen. Bij een tekort is het beleefd om op iemand te blazen. Deze mensen beschikken niet over een beter reukorgaan dan wij. Ze leven alleen in culturen waarin geur niet systematisch is verbannen, en waar de realiteit nog letterlijk wordt ingeademd.
En wij? Wij poetsen onze tanden meerdere keren per dag. Gebruiken mondwater. Kauwgum. We douchen dagelijks en bedekken onze oksels met een brandblusserachtige sneeuw die we deodorant noemen. Alles om te voorkomen dat wijzelf of anderen de geur ruiken die ons lichaam afscheidt. Of zoals de filosoof Michel de Montaigne het formuleerde: 'De zoetheid van zelfs de puurste adem heeft niets voortreffelijks behalve dat hij geen geur heeft die ons beledigt.' De enige goede geur is bij ons echt geen geur.
Hoe zijn we hier gekomen? De eerste sporen vinden we bij Plato. De beroemdste Griekse filosoof geloofde in een perfecte wereld achter de rommelige werkelijkheid, de wereld van de Ideeën. Die wereld kon je niet ruiken of aanraken. Je kon haar alleen denken. Het oog en het oor waren volgens Plato de zintuigen die ons in contact brachten met die hogere werkelijkheid. Geometrie werd ontdekt door te kijken. De harmonie van de sferen werd gehoord. In de sociale omgang zijn horen en vooral zien ‘nobele’ activiteiten, geloofde hij, omdat die zintuigen ons in contact brengen met de wereld van perfectie. Volgens hem moesten de deugdzame mensen zich vooral bezighouden met het cultiveren van het goede van hun ziel door middel van muziek en wiskunde. Hij dacht ook dat de neus, vanwege zijn plek dicht bij de hersenen, in direct contact stond met gevoelens en verlangens die men beter maar kon vermijden. Hij had een hekel aan parfums omdat ze zouden aanzetten tot verwijfdheid en fysiek genot; het gebruik van aromaten was voorbehouden aan prostituees.
Zicht nam voor Plato, en in zijn navolging vrijwel alle andere grote denkers uit de Westerse traditie, de belangrijkste rol in onder de zintuigen. De mens loopt rechtop, zo redeneerde men, wat betekent dat de mens met behulp van zijn gezichtsvermogen kan zien wat er rondom hem gebeurt vanaf een lange afstand. In tegenstelling tot dieren zouden we geur nauwelijks nodig hebben, net zoals ook een staart overbodig was geworden.
Plato's invloed op onze beschaving valt nauwelijks te overschatten. Het platonisme vormde het startpunt van de westerse denktraditie. Augustinus en Thomas van Aquino, de grondleggers van het christelijke denken, waren diep beïnvloed door zijn ideeën. En de wetenschappelijke revolutie, Copernicus, Kepler, Galileo, Newton, deelde het platonische wereldbeeld: achter de chaos van de verschijnselen schuilt een elegante wiskundige orde.
De neus verdween van de filosofische radar en werd afgedaan als een inferieur zintuig, een overbodige herinnering aan ons dierlijke verleden.
In de achttiende eeuw escaleerde deze minachting tot een ware oorlog tegen geur.
Niet zonder reden. In de grote steden was de stank ondraaglijk. Mensen dumpten hun uitwerpselen uit het raam. Rottend afval lag gewoon op straat. Het drinkwater was van slechte kwaliteit. Besmettelijke ziektes verspreidden zich in rap tempo en lieten een spoor van dood achter. Maar bacteriën en virussen waren nog niet ontdekt. Dus kregen geuren de schuld.
Men zocht de oorzaak van epidemieën in schadelijke dampen, miasma's, die vrijkwamen bij rottende lijken en uitwerpselen. Het woord 'miasma' betekent zowel 'rottende damp' als 'ziekteverwekkende stof'. Het woord 'malaria' betekent letterlijk 'slechte lucht'.
De misvatting dat ziekte werd veroorzaakt door vieze geuren leidde tot allerlei maatregelen die achteraf absurd lijken. Artsen die pestslachtoffers behandelden droegen maskers met snavels, gevuld met geurige kruiden, om de gevaarlijke dampen te weren. Rechters die gevangenissen bezochten omringden zichzelf met 'antimefitische' geuren, parfums die stank moesten verblommen. Knoflook werd, vanwege zijn geur, tot laat in de negentiende eeuw gebruikt om kwade geesten af te weren.
Een arts uit die tijd stelde zelfs voor dat het inademen van de laatste adem van een stervende persoon fataal kon zijn, omdat het dodelijke gif dan razendsnel in de hersenen terechtkwam. Een van de meest irrationele voorbeelden uit dit rationele tijdperk was het verhaal van Ignaz Semmelweis. Kraamvrouwenkoorts was in de negentiende eeuw een van de dodelijkste ziektes in ziekenhuizen. Op de doktersafdeling van een kliniek in Wenen lag het sterftecijfer driemaal hoger dan op de verloskundigenafdeling. Semmelweis begreep waarom. De artsen gingen rechtstreeks van het mortuarium, waar ze lijken ontleedden, naar de kraamvrouwen. Ze namen iets mee op hun handen. In 1847 stelde hij voor om de handen te wassen met een chloorhoudende oplossing, waardoor de bacteriën, niet de geurtjes verdwenen. Het sterftecijfer daalde met negentig procent. Maar er was zulk heftig verzet tegen het idee dat de ziekte niet door geuren maar door handen werd verspreid, dat Semmelweis Wenen moest verlaten. Hij werd weggehoond. Pas decennia later, na honderden onnodige sterfgevallen, werden zijn ideeën omarmd.
De hetze tegen geur strekte zich ook uit tot moreel 'verwerpelijk' gedrag. Er werd beweerd dat lichaamsvloeistoffen van vrouwen konden bederven door te veel geslachtsgemeenschap. Daarom werden prostituees aangeduid als 'les putains’, de stinkenden. Homoseksuelen, vaak aangetroffen bij openbare latrines, werden geassocieerd met de dierlijke stank van die plekken. De morele afwijzing van geur drong door tot de hoogste kringen. Tijdens het staatsbezoek van koningin Victoria aan Frankrijk in 1855 ontstond gedempt geschreeuw aan het hof toen de gevoelige neuzen van de dames meenden een vleugje muskus in haar parfum te ontdekken. Geur was niet alleen ongezond. Het was moreel verwerpelijk.
Onder de vlag van vooruitgang en moraliteit barste de strijd tegen geur los. Gemeentelijke gezondheidsraden en 'hygiënisten' grepen in. In het midden van de negentiende eeuw verschenen de eerste rioleringen. Men rustte ziekenhuizen uit met commodes en kamerpotten, behandelde kerkhoven met zout en kalk, draineerde moerassen, pleisterde en kalkte muren om miasma's te bestrijden. Zelfs meubels werden behandeld met antimefitisch vernis. Doelbewust stak men brand aan om de lucht te 'zuiveren'. De Duitse geleerde Heinrich von Treitschke beschuldigde de Engelsen ervan 'zeep te verwarren met beschaving'. Hij had gelijk.
Historici spreken van een 'reukrevolutie' in het achttiende-eeuwse Europa. Een verschuiving van brede tolerantie voor allerlei geuren naar een afwijzende houding tegenover alle geuren, behalve bloemen en parfums. Vanaf deze periode staan het terugdringen van geur en de obsessie met hygiëne symbool voor vooruitgang en beschaving. De westerse mens was vastbesloten om de geur uit het dagelijks leven te bannen. En zo versterkte de cultuur wat de evolutie was begonnen.
We verloren onze neus biologisch, door trichromatisch zicht, door rechtop te staan, door de savanne te betreden. En vervolgens hebben we in het Westen cultureel de laatste resten uitgebannen. Plato die de neus minachtte. De Verlichting die het in beleid omzette. De stinkende steden die geur gelijkstelden aan ziekte en dood. De morele veroordeling van alles wat rook.
Het is ironisch. Geuren zijn onze ingang tot de chemische realiteit. Geuren vertellen de waarheid, over gezondheid, over compatibiliteit, over de staat van de wereld om ons heen.
Maar de superieure Westerse mens heeft besloten die waarheid niet meer te willen horen.
DEEL 3: HET VERLIES VAN EMOTIE
Hoofdstuk 8: Het hulpsysteem aan het roer
Now don’t try to kid me, man cub
I made a deal with you
What I desire is man’s red fire
To make my dream come true
Give me the secret, man cub
Clue me what to do
Give me the power of man’s red flower
So I can be like you
In het vorige deel zagen we hoe we onze neus verloren. Drieëntwintig miljoen jaar van visuele opkomst en olfactorisch verval. Van het derde kegeltje tot de slechtste ruikers van alle zoogdieren. Van chemische inbedding tot de geboorte van de toeschouwer.
Maar dat is maar een deel van het verhaal van onze evolutie. De giraffe kreeg zijn lange nek ook niet in één generatie. Er was geen sprong, geen moment. Er waren kleine verschillen. Een iets langere nek betekende net bij de bladeren boven in de acacia kunnen. Minder concurrentie. Meer voedsel. Dat ene kleine voordeel opende een nieuw speelveld. Vanaf dat moment veranderde alles: mutaties gebeurden voortdurend, maar varianten die diezelfde richting versterkten, nóg iets langer, kregen ineens structureel meer kans dan alle andere. Een verwant, de moderne okapi, heeft een nek tussen de zestig en negentig centimeter. De giraffe zijn nek kan wel twweeneenhalve meter worden. Niet omdat evolutie een richting koos, maar omdat dit potentieel eenmaal was aangeboord. Zolang de bomen hoog genoeg waren en het lichaam het aankon, bleef die richting zichzelf bevestigen. Zo werkt het nieuw aangeboorde potentieel als een mal waarin een specialisatie zichzelf versterkt.
Zo ontstaan de fabeldieren op onze schoolposters. Gewone dieren met een herkenbare basis, maar met verbazingwekkende specifieke kenmerken. Een nek voor de hoge acaciabladeren, een slurf om langs een paar slagtanden heen te kunnen eten, een bult om water in op te slaan voor als je dagen in de woestijn moet lopen, een lengte van dertig meter waarmee de blauwe vinvis zijn vijanden afschrikt. En een dier dat haar reukvermogen inlevert.
We hebben gelezen wat we in deze ruil terugkregen. Het vermogen tot abstractie. Nu is natuurlijk de vraag wat de volgende stap in onze evolutie was. Wat is de volgende stap als je specialisatie abstractie is?
Vaak wordt gedacht dat wij de grootste hersenen hebben, en dat zouden we te danken hebben aan onze ongebruikelijke grote frontale kwabben. Dit gedeelte van het brein zou uniek zijn voor de mens of in ieder geval bij ons onevenredig groot zijn. Maar dat is helemaal niet zo.
Ons brein is niet groter dan dat van andere dieren. Het werkt anders dan dat van andere dieren. Liane Gabora, professor psychologie aan de universiteit van British Columbia, verklaart de bijzonderheid van onze soort ten opzichte van andere gewervelden dan ook op een andere manier. Onze ‘menselijke revolutie’ zou niet het gevolg zijn van de snelle ontwikkeling van nieuwe hersenstructuren als de frontale kwabben, maar van een ander gebruik van de structuren die we al hadden. Zij stelt dat wij geleidelijk hebben geleerd om te schakelen tussen de verschillende systemen in ons hoofd.
Het brein van gewervelde dieren laat zich grofweg begrijpen als een samenspel van twee systemen. Het eerste systeem is oud, ouder dan de mens, ouder dan de zoogdieren, ouder dan de dinosauriërs. Het bestaat al honderden miljoenen jaren, sinds de eerste gewervelden verschenen. Dit systeem is gebouwd voor regulatie met het chemische zintuig als kern. In de neurowetenschappen wordt dit het affectief-regulerende systeem genoemd. In dit boek verwijs ik er verder naar als het primaire systeem.
Dit systeem voelt de wereld voordat het haar probeert te begrijpen. Het weegt zonder te tellen, gaat over tot actie zonder beslissing. Het verwerkt context niet stap voor stap, maar in zijn geheel. Het bepaalt of iets klopt voordat er woorden voor zijn.
Het primaire systeem is verankerd in de oudste netwerken van het brein: amygdala, hypothalamus, hippocampus en de olfactorische cortex. Het is in oorsprong een chemisch systeem: nabij, relationeel, contextgevoelig.
Het tweede systeem is jonger. Het ontwikkelde zich als hulpsysteem, niet om te sturen, maar om te ontlasten. Door terugkerende situaties te herkennen en te standaardiseren kon het energie besparen. Dit systeem werkt sequentieel, in stappen en patronen, en maakt gebruik van symbolen en taal. Het wordt vaak het sequentieel-plannende of executieve systeem genoemd. In dit boek noem ik het secundaire systeem.
Alle gewervelde dieren beschikken over beide systemen. Het voordeel van deze verdeling is snelheid: wanneer gedrag kan worden opgesplitst in regulatie en automatisering, kan een organisme efficiënter reageren op zijn omgeving. Niet al het gedrag hoeft immers elke keer doordacht te worden.
Onder dieren tekent deze taakverdeling zich af in hun manier van kijken, draaien en reageren. Een paard dat plotseling links een onbekend object ziet, schrikt sneller, wijkt uit, spant zijn spieren. Nadert hetzelfde object rechts, dan blijft de reactie vaak beheersbaar. Honden fixeren een dreigende soortgenoot vaker met het linkeroog; hun hartslag stijgt, hun lichaam kantelt subtiel in paraatheid. Ook grote katachtigen reageren alerter op onverwachte bewegingen links in hun gezichtsveld. Verzorgers in dierentuinen benaderen leeuwen daarom bij voorkeur van rechts. Niet uit bijgeloof, maar omdat bij benadering van de rechterzijde van het dier de verwerking gedaan wordt door het deel van het brein dat gespecialiseerd is in routinematig, voorspelbaar gedrag. Er is een grotere kans dat de leeuw denkt: aha, dat is Jan, die is hier altijd. Jan brengt elke dag eten. Zonder Jan, geen eten, dus ik blijf maar van hem af. Daarentegen heeft een Jan die vanaf de linkerkant het hok in komt wandelen een veel grotere kans om opgegeten te worden. Dezelfde leeuw, dezelfde verzorger maar een andere verwerking door het brein, en dus een andere gedragsmodus.
Bij routinematig gedrag zien we het omgekeerde patroon. Kippen pikken voedsel opvallend vaak met het rechteroog. Hun bewegingen worden ritmisch, herhaalbaar, bijna mechanisch. Ratten die een doolhof leren lopen stabiliseren hun route in vaste draaipatronen. Zangvogels produceren strak gestructureerde, herhaalbare reeksen. En bij walvissen wordt die voorkeur monumentaal zichtbaar. Bultruggen en blauwe vinvissen rollen tijdens het foerageren consequent naar dezelfde zijde. Die herhaling is zo hardnekkig dat één kant van de kaak blijvende slijtage vertoont. Wat begint als een lichte gedragsvoorkeur wordt een anatomische asymmetrie. Routine schrijft zich in het bot.
Dreiging en routine activeren, zoals we inmiddels weten, niet hetzelfde systeem. En die systemen hebben een laterale voorkeur. Die kennen we nog uit de populaire right brain – left brain theorie, die inmiddels in de wetenschap wel iets gerelativeerd is. Die verdeling is geen abstract model dat wij achteraf bedenken. Zij is zichtbaar in de richting waarin een dier kijkt, in de zijde waarop het draait, in de kant van de kaak die slijt. Het lichaam zelf draagt de handtekening van de taakverdeling.
Dit zijn voorbeelden die het fundamenteel verschil in functie van beide systemen mooi illustreren. Het primaire systeem is gericht op regulatie en context, het secundaire op ordening en reductie.
Bij dieren blijft die taakverdeling intact: het primaire systeem stuurt, het secundaire ondersteunt. Bij de mens is die balans verschoven. Niet alleen omdat we minder goed ruiken, maar ook omdat juist die verzwakking het evolutionaire pad opende voor een vergaande specialisatie in abstractie. Waar het secundaire systeem oorspronkelijk diende om te ontlasten, is het bij ons steeds vaker gaan domineren.
Het pad van onze evolutie trekt deze lijn richting abstractie consequent door. Rechtop lopen verslechterde ons neus, maar bevrijdde tegelijkertijd onze voorpoten. Die waren vrij om iets anders te gaan doen dan klimmen. Ze konden bijvoorbeeld een steen oppakken om een noot te kraken. Iets wat chimpansees nog steeds doen. Maar onze handen werden preciezer. Onze duimen werden opponeerbaar. Onze motoriek werd fijner. En we begonnen met die steen te slaan. Steen tegen steen, keer op keer, in hetzelfde patroon. Net zo lang tot er een scherpe rand ontstond. We noemen deze eerste gereedschappen de Oldowan- steentjes en ze dateren van ongeveer 2,5 miljoen jaar geleden, rond de opkomst van de eerste Homo-soort. Dit herhaaldelijk een steen slaan met een duidelijk doel is typisch een taak van het secundaire systeem. Een repetitieve handeling, een patroon, een procedure.
Er zat vier miljoen jaar tussen het moment dat we uit de bomen klommen en het moment dat we een scherpe steen van een rots afhakten. Vier miljoen jaar. En nog eens twee miljoen jaar om van een scherpe steen een bijl te maken. Zes miljoen jaar van trage, gestage ontwikkeling.
Maar elke stap versterkte het secundaire systeem. Elke steen die we sloegen, was een oefening in procedureel denken. Elke scherpe steen, een stap richting verdere abstractie.
De mensachtigen met een fijnere motoriek begonnen steeds meer gereedschap te maken. Zeer waarschijnlijk liepen ze iets meer rechtop dan de rest van hun groep. Zij en hun kinderen werden handiger in het maken van eenvoudig gereedschap en dat bracht hun succes. Succes als jagers, als bouwers, als verdedigers. Naar alle waarschijnlijkheid kregen zij binnen de groep een zekere status die hen ook seksueel succesvol maakte. Zij maakten meer kinderen dan de rest en ook die waren succesvol. Ze deden dit duizenden jaren lang, totdat een van hun kleinkinderen 35 duizend jaar geleden een steen in een bijl veranderde.
Gereedschap helpt je niet alleen om een noot te breken, het stelt je ook in staat dingen te bereiken die voorheen buiten je bereik lagen. Het ophogen van enorme hoeveelheden zand kost een eeuwigheid, maar met een schop wordt het mogelijk. Zo konden we huizen op heuvels bouwen en begonnen we onze dorpen te beschermen met dijken. Het verzamelen van hout uit dode bomen kost een eeuwigheid, maar met een bijl kun je voor iedereen een huis bouwen. Vissen met blote handen levert misschien net voldoende voedsel op voor vandaag, maar met een net heb je ook genoeg voor morgen.
Gereedschap bracht meer dan alleen gemak. Al deze voorbeelden hebben één ding gemeen: ze stelden ons in staat steeds meer controle uit te oefenen over ons eigen lot. Waar we voorheen bang waren voor overstromingen, bouwden we dijken. Waar we afhankelijk waren van de vangst van de dag, creëerden we voorraden. Waar we eens bang waren voor aanvallen door grote roofdieren, bouwden we huizen die ons beschermden. Steeds meer variabelen kregen we onder controle. Het leven werd veiliger en voorspelbaarder. Dat doet iets met je. Nu het onmiddellijke, het concrete niet langer al je aandacht opslokte, ontstond er ruimte voor het abstracte, voor morgen, voor volgend jaar, voor het algemene. Dat doet iets met je.
Langzaam ontwikkelde het idee dat de wereld geen willekeurige chaos was, maar bestaat uit herkenbare patronen. En al die patronen kon je op eenzelfde manier naar je hand zetten. En met die handen, die ooit waren gereserveerd voor klimmen en rennen, kwamen de instrumenten waarmee we onze omgeving konden manipuleren. Nu hadden we niet alleen de geest om te manipuleren en te controleren, we hadden ook de tools om dat te doen.
Deze motorische fysieke vaardigheid ging hand in hand met de neurologische veranderingen van de hersenen. Een hand die in staat is om een hamer te maken wordt voorafgegaan door een brein dat een hamer kan bedenken, en gevolgd door een brein dat het motorische patroon, nodig voor het hanteren van een hamer, perfectioneert. Stap voor stap, hand in hand ontwikkelden zich deze twee. Het fysieke vermogen en de mentale procedure om dat te begeleiden waren twee ontwikkelingen die elkaar stimuleerden en wederzijds vormgaven.
Het mooiste voorbeeld van dit gelukkige huwelijk is zeker vuur. Vuur dat je zelf kan maken is niet alleen een handig gereedschap waarmee je wilde dieren kan verjagen. Dit gereedschap is tegelijkertijd de voorwaarde voor dit ‘menselijke brein’ om te kunnen bestaan.
Want een brein dat plant, vergelijkt en anticipeert is geen goedkoop systeem. Het menselijke brein weegt nauwelijks twee procent van ons lichaam, maar verbruikt ongeveer twintig procent van alle energie. Dat is absurd veel. Zeker voor een soort die miljoenen jaren moest overleven met wat hij op een dag kon vinden. Biologen hebben zich dan ook lang afgevraagd hoe zo’n energie slurpend systeem evolutionair ooit heeft kunnen standhouden. Abstractie is geen basisfunctie. Het is geen noodzaak. Het is een luxe. En luxe kost doorgaans meer energie dan het oplevert.
Die energie kwam niet vanzelf. Ze kwam met vuur. Dankzij vuur hoefde het lijf niet langer zichzelf te verwarmen. Dat scheelt aanzienlijk. Een ander voordeel van vuur is dat we het konden gebruiken om voedsel voor te bewerken. Koken maakte eten zachter, sneller verteerbaar en calorierijker. En voor het eerst konden we vlees eten. Waar gekookte groenten vooral volume leveren, levert vlees geconcentreerde energie: vaak vijf tot tien keer zoveel per gram, sneller beschikbaar en goedkoper voor het lichaam. Een gamechanger voor een energie slurpend brein.
Die vrijgekomen energie kon gebruikt worden voor een brein met het secundaire systeem aan het roer. Vuur was daarmee geen cultureel extraatje, maar een biologisch keerpunt. Het was het ultieme gereedschap.
Het succes van deze verschuiving laat zich makkelijk opsommen. Meer controle betekende meer voorspelbaarheid. Gereedschap maakte jacht efficiënter, bouwen sneller, verdediging sterker. Vuur verlengde de dag en maakte de nacht bewoonbaar. Vlees leverde geconcentreerde energie. Voorraad verving onzekerheid. Procedures vervingen afstemming. De wereld werd hanteerbaar. Meetbaar. Manipuleerbaar.
Tweehonderdvijftigduizend jaar geleden resulteerde dit in een nieuw soort dier. Een dier met een enorme schedel en een nietige neus. Een dier dat de wereld niet meer rook maar bekeek. Een dier dat niet meer meebewoog met de realiteit maar haar probeerde te beheersen.
Dit is de kern van onze anomalie. Wij zijn het enige dier dat zijn hulpsysteem heeft aangesteld als hoofdbestuur.
Het primaire systeem dat zou moeten sturen is gedegradeerd tot bijzaak. Het secundaire systeem dat zou moeten ondersteunen bepaalt nu de koers. Een koers gericht op controle, grip en groei. Dat maakt van ons een neurotische soort. Een mens die zijn keukenkastjes op kleur ordent. Zijn auto’s parkeert binnen de strepen van het parkeervak, en de vaatwasser fascistisch inpakt. Het dier dat haar eigen eindeloze groei alleen maar kan ondersteunen door bio-industrie en kernenergie. Dat vijanden definieert op basis van de categorie religie, en dan vervolgens haar veiligheid probeert af te dwingen door atoombomen die de hele planeet ten gronde kunnen richten.
Wij noemden dit dier Homo sapiens. De wijze mens.
Hoofdstuk 9: Het emotionele systeem
'Wanneer er niets anders bestaat dan het verleden, nadat de mensen dood zijn, nadat de dingen zijn verbroken en verstrooid, blijven de geur en smaak van dingen een lange tijd in evenwicht, zoals zielen, veerkrachtig dragend, op kleine en bijna ongrijpbare druppels van hun essentie, het immense gebouw van het geheugen.'
We beschouwen onze zintuigen meestal als instrumenten die ons helpen om dingen te identificeren. De ogen vertellen ons hoe iets eruitziet en hoe dichtbij het is. De oren vertellen ons hoe het klinkt en vanuit welke richting het naderbij komt. De neus vertelt ons hoe het ruikt.
Maar met deze omschrijving doen we de neus tekort. Reuk is helemaal geen zintuig, geen hulpmiddel om een eigenschap van een object te identificeren. Het is veel meer dan dat. Het Engelse woord voor geur, scent, afgeleid van het Franse sentir, verklapt iets van de meer fundamentele rol van reuk in ons leven. Die woorden zijn afgeleid van het Latijnse sentire, dat ‘ervaren in relatie tot gevoelens en gedachten’, betekent.
Via geur wisselen we moleculen uit met onze omgeving. Het is onze navelstreng met de chemische realiteit. Daarom heeft het dan ook een centrale rol in de perceptie van de werkelijkheid van alle zoogdieren. Die rol zien we terug in de architectuur van ons brein.
In de loop van de evolutie groeide dit oorspronkelijke olfactorische systeem uit tot wat wij het limbisch systeem noemen, de drager van het primaire systeem, het affectief regulerend systeem. Met dit netwerk wordt chemische compatibiliteit met de rest van de wereld vastgesteld, ons gedrag wordt geprimed, en daarvan wordt een geheugen aangelegd.
Dat gaat als volgt. Geurmoleculen uit de omgeving gaan een chemische reactie aan met de receptoren in de neus. Het elektrische signaal dat hierdoor ontstaat wordt via de bulbus olfactorius na één enkele synaptische schakeling doorgegeven aan de olfactorische cortex. Deze vroege verwerking zegt: er is iets.
Vanuit de olfactorische cortex lopen rechtstreekse verbindingen naar het limbisch systeem. Slechts twee synaptische stappen scheiden de reukzenuw van de amygdala. De amygdala fungeert als een affectief beoordelingsknooppunt. Zij bepaalt in een fractie van een seconde of de prikkel relevant is: veilig, bedreigend, aantrekkelijk of afstotend, bekend of onbekend. De amygdala vergelijkt de geurwaarneming met vorige geurwaarnemingen waardoor er een soort geurgeheugen ontstaat. Dit is geen bewuste vergelijking, maar een lichamelijke en emotionele matching, gebaseerd op eerdere toestanden waarin soortgelijke geuren voorkwamen.
Via directe projecties stuurt de amygdala signalen naar de hypothalamus, waar zij in één synaptische stap worden vertaald naar lichamelijke regulatie. De hypothalamus zet hormonale en autonome processen in gang en brengt het lichaam in een passende toestand: verhoogde alertheid, ontspanning, spanning, toenadering of vermijding. Wat wij ervaren als emotie, angst, verlangen, verbondenheid, afkeer, is in feite deze gecoördineerde lichamelijke toestand.
Parallel hieraan speelt de hippocampus een cruciale rol. Slechts drie synapsen scheiden de reukzenuw van de hippocampus De hippocampus koppelt de geur en de bijbehorende emotionele en lichamelijke toestand aan context: waar was ik, met wie was ik, wat gebeurde er nog meer? Zo ontstaat geen losse herinnering, maar een samenhangend ervaringspatroon. Elke nieuwe geurwaarneming wordt daardoor automatisch geplaatst binnen een netwerk van eerdere ervaringen.
Dit proces wordt herhaald en herhaald, waardoor er een soort geurbibliotheek ontstaat. Deze geurbibliotheek koppelt niet alleen een geur aan een primaire reactie, maar ook aan de gehele fysiologische toestand van het moment van de geurwaarneming. De muziek die je op dat moment hoorde, of je gelukkig of verdrietig was, wie er op dat moment bij je was, of de zon scheen. De gehele context van het moment maakt onderdeel uit van de geurherinnering.
Zo reguleert het limbisch systeem ons ‘zijn’ in de wereld. Het stelt onze relatie met de werkelijkheid vast (geur), brengt ons lichaam in de actie-modus (emotie), koppelt de context van het moment aan die geur (geheugen), vergelijkt de ervaring met eerdere geurherinneringen (betekenis) en kleurt zo de waarneming van andere zintuigen en onze gedachten (perceptie). Zo ‘leren’ we hoe we ons moeten verhouden tot het ‘andere’. Zijn, waarneming, emotie, betekenis, geheugen, perceptie en handelen zijn hier één samenhangend proces.
Als we ruiken, steken we onze teen in de chemische realiteit. Door te ruiken ervaren we dat de werkelijkheid niet bestaat als abstract idee of losstaand beeld, maar alleen als concrete, lichamelijke en situationele aanwezigheid. Die werkelijkheid is concreet, wordt altijd ervaren, en staat nooit los van het lichaam dat ermee in contact staat.
Daarom zijn geurbelevingen zo verstrengeld met tijd, plek en context. Als we iets ruiken vóór een negatieve ervaring, raakt die geur onlosmakelijk verbonden met die ervaring. Zo hebben veel mensen een afkeer van de geur van ziekenhuizen: medische handelingen worden chemisch verknoopt met pijn, spanning en verlies van controle. Hetzelfde geldt voor positieve ervaringen. Het geurgeheugen bestaat niet uit abstracte categorieën, maar uit koppelingen tussen een geur en eerdere ontmoetingen met die chemische werkelijkheid. Dat verklaart waarom een lang vergeten geur in één klap een eerder beleefd moment kan doen herleven, niet als herinnering op afstand, maar als hernieuwde aanwezigheid. Geurherinneringen worden ook als intenser en aangenamer ervaren dan andere herinneringen en vervagen minder snel dan herinneringen uit zicht of gehoor. Dit staat bekend als het Proust-effect.
Geur kleurt zo onze toegang tot de werkelijkheid. Ze bepaalt de kleur van de bril waardoor we de wereld waarnemen, niet als abstract filter, maar als de persoonlijke afdruk van onze verhouding tot die wereld. De aantrekkelijkheid van een potentiële partner, wat we prettig of afstotelijk vinden, wat we kopen of vermijden, wordt vaak al beïnvloed voordat het denken of de andere zintuigen op gang komen.
Die bril is diep persoonlijk. Geurvoorkeuren zijn nauw verbonden met individuele eigenschappen. Mensen die emotioneel kwetsbaar zijn zouden eerder en meer last hebben van vieze geurtjes. Labiele mensen zijn gevoeliger voor bittere smaak dan stabiele en rustige mensen. Ze schijnen ook een hogere absolute gevoeligheid voor sommige geuren te hebben. Labiele mannen zijn gevoelig voor een molecuul dat ruikt naar bladeren en bosgrond, butanol. Maar ze hebben een lagere gevoeligheid voor andere geuren, zoals de scherpe geur van n-octanol en met name isovalenzuur. Personen die gevoelig zijn voor neuroses zouden ook sneller geur kunnen verwerken. En psychopaten ruiken het slechtst van alle mensen.
Geurvoorkeuren zijn ook afhankelijk van eerdere herinneringen en associaties. In onderzoeken noemen mensen als favoriete geur soms benzine of lichaamstranspiratie, terwijl anderen bloemen resoluut afwijzen. Deze voorkeuren blijken consistent samen te hangen met eerdere ervaringen waarin geur, situatie en emotionele toestand samenvielen. Onaangename geuren verhogen dan ook hartslag, huidgeleiding en schrikreacties.
We houden bovendien van wat we kennen. Mensen beoordelen geuren die ze correct kunnen identificeren als aangenamer. Bekende geuren zijn al eens chemisch getoetst op compatibiliteit en voelen daardoor vertrouwd en veilig.
Er bestaan ook geuren die vrijwel universeel als aangenaam worden ervaren, zoals vanille, wat erop wijst dat sommige moleculen breed compatibel zijn met het menselijk lichaam.
Wat wij als aangenaam ervaren, is dus geen smaak in abstracte zin, maar het resultaat van een unieke lichamelijke en biografische configuratie. Reuk is daarmee het meest persoonlijke zintuig. Niet omdat het subjectief is in de zin van willekeurig, maar omdat we allemaal chemisch verschillen en onze compatibiliteit met de wereld voortdurend meebeweegt met onze eigen context, toestand en geschiedenis.
De neus is dus geen zintuig. Het is ons affectief regulerend systeem dat ons in staat stelt om te leven in een chemische wereld. Het limbisch systeem is tot op de dag van vandaag de dragende structuur van het brein, waarop latere functies zijn gebouwd als een soort plug-ins. Die andere functies worden pas later actief en zijn veel langzamer en minder potent.
Vanuit de amygdala lopen drie fundamenteel verschillende routes het brein en lichaam in, en ze zijn niet gelijk gebouwd. De eerste route bespraken we al eerder. Deze verbinding bestaat uit één synaptische stap, is kort, dik en zwaar gemyeliniseerd, en stuurt binnen tientallen milliseconden hormonale en autonome reacties aan: hartslag, spierspanning, ademhaling, vasculaire tonus. Dit is de primaire actieroute van het lichaam.
De tweede route loopt van de amygdala naar de locus coeruleus. Ook dit is een zeer korte verbinding (1–2 synapsen), met brede projecties en hoge geleidingssnelheid. Via noradrenaline zet deze route het hele brein in een staat van verhoogde paraatheid. Alle zintuigen worden opgeschaald, aandacht gefocust, gedrag wordt geprimed. Dit gebeurt binnen honderden milliseconden.
De derde route is veel jonger. Het loopt via meerdere schakels naar de cortex, met name de prefrontale gebieden. Deze verbinding telt meer synapsen, is dunner, minder sterk gemyeliniseerd, en werkt aanzienlijk trager. Dit is de route die de rest van het brein in staat stelt om nog een beetje mee te beslissen over onze reactie. Dit is hoe een eerste reactie wordt geëvalueerd, genuanceerd of bijgesteld. Deze route opereert op de schaal van seconden, niet milliseconden.
De cortex is de plek in de hersenen waar informatie uit de rest van het lichaam ontvangen, geanalyseerd en geïnterpreteerd wordt. Dus deze derde synaps vanuit de cortex terug naar de amygdala kan als een soort feedback loop de emotionele amygdala overrulen. Of anders gezegd, een waarneming van de neus kan gecorrigeerd worden door een waarneming van bijvoorbeeld de ogen, of door een relativerende abstracte gedachte. Dat is wat we allemaal relativeren noemen.
Het probleem is dat de invloed van die relativering slechts gering is. Voor 98% van onze evolutionaire ontwikkeling waren de eerste twee synapsen vele malen belangrijker dan de derde. Daarom zijn ze vele malen korter en veel beter ontwikkeld dan de connectie met de cortex. De architectuur laat geen twijfel toe: het brein is gebouwd om eerst te handelen en af te stemmen, en pas daarna te denken. In onze hardwiring zijn we vóór alles emotionele en slechts in tweede instantie rationele wezens zijn. Voor mensen die geloven dat de mens voor alles redelijk en rationeel is, moet dit een teleurstelling zijn.
Hoe wij ons tot de andere dingen in de werkelijkheid verhouden is een chemische kwestie. Sommige dingen zijn goed voor ons en andere slecht. Een chemische uitwisseling met iets dat voor beide partijen goed is noemen we een duurzame connectie. Of harmonieus, of mooi, of goed, of juist. We weten dat door iets dat we een emotie noemen. Duurzaam, mooi, goed, juist en harmonieus geven ons een emotie die we als prettig ervaren. Dat noemen we dan geluk of blijdschap. De behoefte aan zo'n uitwisseling noemen we trek, verlangen, verliefdheid, of geilheid.
Ons affectief regulerend systeem is ontwikkeld om ons de weg te wijzen in die werkelijkheid. Het onderzoekt de omgeving, stelt onze compatibiliteit vast, en creëert een reactie. Het is leidend in vragen als: Welke kant gaan we op, hoe hard moeten we rennen, is dit eetbaar, kunnen we met die persoon paren, is dat dier boos op me, is mijn kind ziek? Elke interactie, hoe groot of hoe klein, wordt erdoor ervaren, begrepen en gestuurd. Zo creëert het afstemming op basis van de werkelijkheid.
Maar wat gebeurt er als het secundaire systeem het stuur overneemt met behulp van die derde verbinding, de achterdeur van de amygdala?
Hoofdstuk 10: Twee systemen in één hoofd
“Le cœur a ses raisons que la raison ne connaît point”
Midden in de 17e eeuw ontmoetten Blaise Pascal en René Descartes elkaar in Parijs. Pascal, was een briljant wiskundige, die niet de rede afwees, maar wel haar grenzen benadrukte omdat hij ze kende. Waar de moderniteit begon te eisen dat alles helder, verklaarbaar en beheersbaar moest zijn, hield Pascal vast aan het idee dat het wezenlijke zich juist onttrekt aan die eis. Hij waarschuwde voor te veel vertrouwen op de rede.
Descartes is de grondlegger van het modernisme, waarbinnen de ratio op haar definitieve voetstuk werd geplaats. Met hem begint een tijdperk waarin dat wat niet kan worden uitgelegd, steeds minder telt als kennis. Het innerlijke verdwijnt niet, maar verliest zijn gezag. Emotie wordt bijzaak, twijfel een fase, en betekenis iets wat kan worden geconstrueerd. De twee ontmoetten elkaar eens in Parijs, en bij hun ontmoeting spraken ze vooral over natuurkundige fenomenen, en lieten het existentiële voor wat het was. Het verschil in perspectief maakte de kloof onoverbrugbaar. Het tijdperk van Pascal was voorbij en dat van Descartes stond op het punt de wereld te veroveren.
Een kleine vierhonderd jaar later is het tijd om dat gesprek opnieuw te laten plaatsvinden. Vier eeuwen van verheerlijking van de ratio heeft een Westerse wereld opgeleverd zoals Descartes die graag had gezien. En toch geeft de chemische realiteit, de emotie in ons, zich niet volledig gewonnen. Elke dag waarschuwt ons primaire systeem ons voor gevaar, en gooit onze verliefdheid de mantel der liefde over onze ogen. Zonder onze emotie heeft het geen zin om een roman te lezen of een film te kijken. De strijd lijkt nog niet gestreden.
Die strijd vindt ook in ons plaats. Als mensen een huis kopen, gaan ze vaak eerst op hun gevoel af, en maken daarna pas lijstjes met voor- en nadelen om zeker te weten of de koop verstandig is. Gedurende de dag veranderen de stemmen in ons vaak van kracht. Ideeën die je ’s avonds en ’s nachts hebt kunnen vaak groots en meeslepend lijken en de volgende ochtend de rationele test niet doorstaan. Ons hoofd wil vaak iets anders dan ons gevoel. In het Spaans zeg je: El corazón manda más que la razón, in het Engels The heart wants what it wants.
Waar komt nu dit conflict vandaan? We denken immers dat we één persoonlijkheid hebben, één identiteit. Sterker nog, als er geen consistentie zit in de ervaring van je identiteit, is het in onze cultuur tijd om naar de apotheek of de dokter te gaan. Het is moeilijk om je voor te stellen dat er meerdere chauffeurs aan het stuur zitten in je bovenkamer. Maar de aanwijzingen zijn er. Zoveel dat het in wetenschappelijke kringen al lang geen onderwerp van discussie meer is.
Het meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld komt uit onderzoek naar epilepsie van Roger Sperry, een beroemde Amerikaanse neuropsycholoog en Nobelprijswinnaar. Epilepsie is een aandoening waarbij delen van de hersenen plotseling te veel en te gelijktijdig actief worden. Zo’n ontlading kan beperkt blijven, maar kan zich ook verspreiden over grotere delen van het brein, waardoor iemand het bewustzijn verliest of de controle over zijn lichaam kwijtraakt. Bij veel mensen zijn deze aanvallen met medicatie te onderdrukken. Soms kan een duidelijk afgebakende bron operatief worden verwijderd. Maar bij een deel van de patiënten ontstaat de ontlading niet op één veilige plek, of is zij niet goed te isoleren. Bij hen ligt het probleem vooral in de manier waarop die activiteit zich verspreidt. Roger Sperry en zijn team stelden voor om bij deze patiënten het zogeheten corpus callosum door te snijden. Het corpus callosum is de belangrijkste verbinding tussen de linker- en rechterhemisfeer. Men hoopte dat deze drastische maatregel de escalatie van hersenneuronen die optreedt bij een aanval zou beperken.
Hun eerste patiënt 'WJ' had meerdere hoofdverwondingen, opgelopen in de Tweede Wereldoorlog. Hij kreeg zijn eerste aanval in 1951 en ondanks medicatie stegen zijn convulsies in ernst en frequentie. Vanwege de plek in het brein was een operatie om het hersenweefsel te verwijderen geen optie. Op achtenveertigjarige leeftijd werd WJ's corpus callosum doormidden gesneden en zijn twee hersenhelften gescheiden. Zijn epilepsieprobleem was daarmee zo goed als verholpen.
Sperry en zijn team wilden uiteraard ook weten wat de verdere gevolgen van de ingreep waren. Ze richtten hun laboratorium zo in dat ze iets heel specifieks konden testen: wat gebeurt er als de verschillende delen van het brein verschillende informatie binnen krijgen? Dat kan je testen omdat lichaam en brein grofweg kruislings werken. Wat links waargenomen wordt, wordt rechts in het brein verwerkt en vice versa.
Ze zetten WJ voor een scherm waarop woorden en beelden links en rechts werden geprojecteerd. Hij werd gevraagd zijn blik strak op het midden te houden. De beelden verschenen zo kort dat hij zijn ogen niet kon bewegen. Ook aanraking werd zo aangeboden. Voorwerpen werden in één hand gelegd, zonder dat de patiënt ze kon zien.
Bij mensen met een intact brein maakt dit nauwelijks verschil. Wat wordt waargenomen en begrepen wordt razendsnel door de corpus calossum gedeeld met de andere kant van het brein. Maar bij Sperry’s patiënten was die koppeling verbroken.
Toen afbeeldingen in WJ’s rechtergezichtsveld werden geflitst, kon hij zonder problemen omschrijven wat het beeld was. Maar toen beelden werden gepresenteerd in WJ’s linker gezichtsveld, reageerde hij plotseling alsof hij blind was geworden. Hij vertelde de onderzoekers dat hij geen flitsen zag, geen woorden, helemaal niets van wat hem getoond werd. De rechter kant van zijn brein leek niet in staat om chocola te maken van de waarnemingen.
Nu weten we dat het spraakcentrum bij veruit de meeste mensen (ook bij WJ) aan de linkerkant van het brein zit. Het is onderdeel van ons secundair systeem. Wanneer de waarnemingen werden ervaren door de rechterkant van het lichaam werd het spraaksysteem gebruikt om het te begrijpen en om te zetten naar taal. Toen het tijd was voor de rechterkant van het lichaam om uit te drukken wat het zag, had het geen spraakcentrum om mee te communiceren. Sperry wist zeker dat WJ’s de beelden op de rechterkant van het scherm wel had gezien omdat hij gedurende de test met zijn linkerhand, die bestuurd werd door zijn rechterbrein, op een telegraaftoets had gedrukt, elke keer als hij een afbeelding op het scherm zag.
In een ander experiment werd een voorwerp, een lepel, alleen aangeboden aan de linkerhand. De patiënt kon niet zeggen wat het was. Maar wanneer hij gevraagd werd het voorwerp uit een reeks objecten te kiezen, pakte hij zonder aarzelen de juiste lepel. Hij wist het zonder het te kunnen zeggen.
Hier werd iets zichtbaar wat normaal verborgen blijft: handelen zonder narratief. Het idee dat we prima kunnen functioneren zonder dingen een naam te geven. De sensatie kwam wel binnen maar bereikte niet automatisch de systemen die benoemen, betekenis geven en verklaren.
Blijkbaar is er sprake van twee systemen. En de verschillen kunnen groot zijn. Zolang de verbindingen binnen het brein intact zijn smeedt het brein dit tot een samenhangend verhaal. Maar zonder de verbinding krijgen we ineens een kijkje achter de schermen.
Dat werd het meest duidelijk in wat Sperry en zijn collega’s intermanueel conflict noemden. Het kwam voor bij vrijwel alle patiënten wiens corpus callossum doorgesneden was. Eén patiënt merkte op dat zijn rechterhand bezig was om zijn broek op te trekken, terwijl zijn linker dezelfde broek naar beneden probeerde te duwen. In een ander geval probeerde dezelfde patiënt met zijn linkerhand zijn vrouw te slaan terwijl zijn rechter de linker pakte hem om hem te stoppen. RY, een zesentwintigjarige man knoopte zijn shirt dicht met één hand terwijl de andere hand er direct achteraanging om de knopen weer los te maken. Hun jongste patiënt, LB, deed een blokontwerptest met zijn rechterhand. Tijdens de test kwam zijn linkerhand van onder de tafel en reikte naar de blokken tot zijn rechterhand de linker sloeg en LB zei: “Dat zal je een tijdje stilhouden.”
Nu is het jammer dat slechts een van de twee systemen in staat is om zich in taal uit te drukken. Daardoor is het lastig om vast te stellen wat dat ‘stomme’ systeem nu eigenlijk vindt en wil. Tot patiënt Paul S. Bij de meeste mensen wordt spraak gecontroleerd door hun linker hemisfeer, maar af en toe heeft een persoon spraakgebieden in beide hemisferen. Paul S. was zo’n persoon. Hij was ook een patiënt die een commissurotomie kreeg. Na zijn hersenoperatie konden zowel zijn linker als zijn rechterhersenhelft ‘spreken’. Toen ze Pauls’ linkerhersenhelft vroegen wat voor beroep hij wilde uitoefenen, zei hij dat hij een technisch tekenaar wilde zijn. Zijn rechterhersenhelft gaf toch de voorkeur aan autocoureur. Paul werd getest ten tijde van het Watergate-schandaal, en zijn linker hemisfeer hield van Richard Nixon, terwijl zijn rechter een hekel aan Nixon had.
Wat oorspronkelijk een ingreep was om epileptische aanvallen te beteugelen werd een wereldberoemd onderzoek naar de systemen in ons brein. Die lijken in een strijd verwikkeld om de regie. Bij normaal functioneren kan er weliswaar strijd zijn, maar resulteert die strijd meestal wel in iets dat wij als één perspectief ervaren. Als de mogelijkheid om te harmoniseren om een of andere reden bruut onderbroken wordt worden de verschillen uitvergroot. Dan zien we de strijd in volle glorie.
Die strijd lijkt in deze experimenten plaats te vinden tussen een rechter- en linkerhersenhelft. Een tijd lang was dat ook de manier waarop de wetenschap daarnaar keek. Dat absolute onderscheid tussen rechts en links blijkt sinds een tijdje achterhaald. Wat wél klopt, is dat het brein asymmetrisch is georganiseerd. Bepaalde functies en met name taal hebben zich aan de linkerkant geconcentreerd. Het is onderdeel van het secundaire systeem, dat goed is in categoriseren, plannen en organiseren. Rechts ligt de nadruk anders. Daar is het brein gevoeliger voor context, emotionele afstemming, en samenhang, voor functies van het primaire systeem.
Dat is waarom het doorsnijden van de hersenhelften een mooi inkijkje geeft in de strijd tussen ons primaire systeem en ons secundaire systeem.
De functie van secundaire systeem was nooit om beslissingen te nemen. Kahneman, auteur van ‘Thinking Fast and Slow, die in 2002 de Nobelprijs voor de Economie kreeg, noemt de twee systemen Systeem 1 en Systeem 2. Hij ontdekte iets cruciaals over de verhouding tussen deze systemen. Systeem 2 denkt niet zozeer. Systeem 2 rechtvaardigt. Systeem 1 neemt in een fractie van een seconde beslissingen. Dan komt Systeem 2, en die bouwt er een verhaal omheen. Een verklaring. Een rechtvaardiging. Systeem 2 ervaart die rechtvaardiging als rationeel inzicht. Het voelt niet alsof we achteraf een verhaal verzinnen. Het voelt alsof we nadenken. Alsof we tot een conclusie komen. Alsof we de waarheid vinden. Maar de waarheid was er al. Of beter: de beslissing was er al. Het verhaal komt erna.
Dat is waarom we lijstjes maken met voor- en nadelen wanneer we een beslissing moeten nemen en dan toch doen wat we al van plan waren. Het lijstje was geen instrument om te beslissen. Het was een ritueel van geruststelling. Een manier om onzekerheid te vervangen door schijncontrole. Het is waarom we urenlang kunnen piekeren over een keuze die we allang gemaakt hebben. We denken dat we aan het afwegen zijn. Maar we zijn aan het rechtvaardigen.
Die conclusie rijmt met die van later onderzoek van Sperry en zijn promovendus Michael Gazzaniga. Het secundaire systeem (in hun onderzoek de linker hersenhelft) kon niet toegeven dat het iets niet wist. Wanneer de rechterhelft iets had gezien dat de linkerhelft niet had waargenomen, en de patiënt werd gevraagd te verklaren waarom hij een bepaalde handeling had verricht, verzon de linkerhelft ter plekke een verklaring. De linkerhelft weet niet, maar verklaart. En belangrijker: hij kan niet stoppen met verklaren. Hij kan niet stoppen met verhalen verzinnen. Of ze nu waar zijn of niet.
Tot zover is er nog geen probleem. Zolang het primaire systeem de beslissingen neemt en het secundaire systeem ze probeert te vangen in verklaringen, wetmatigheden en procedures blijven we afstemmen met de chemische realiteit. Simpele repetitieve dingen zoals het herkennen van bekende situaties, het volgen van vaste stappen, of het reageren op voorspelbare signalen kunnen worden geautomatiseerd, zonder dat er veel schade wordt aangericht. Wat maakt het uit dat een kuiken meestal naar links naar zijn voer pikt. Als dit ervoor zorgt dat het primaire systeem meer energie over heeft om te functioneren in de realiteit?
Maar ergens in de afgelopen honderdduizend jaar is de verhouding gekanteld. Het secundaire systeem is zelf aan het roer gaan zitten. Het hulpsysteem werd het hoofdsysteem. Verhalen en procedures zijn onze levens gaan beheersen, soms behulpzaam, maar vaker ontwrichtend. En of ze nu juist zijn of niet, of ze nu aansluiten bij de realiteit of niet, we kunnen denken en geloven dat ze waar zijn.
Daarvoor gaan we nog even terug naar de amygdala. De amygdala bepaalt of we iets belangrijk vinden. Oorspronkelijk kreeg zij haar input van ons primaire systeem. Maar er was ook nog dat achterdeurtje: een zwakkere verbinding vanuit de prefrontale cortex. Alle zoogdieren hebben die. En dat ging miljoenen jaren prima. Totdat ons secundaire brein daar, enkele tienduizenden jaren geleden, grote hoeveelheden data over gingen versturen. In de vorm van verhalen. Sinds ongeveer 70.000 - 100.000 jaar maken we gebruik van een volledige abstracte taal. Met dit systeem kon het secundaire systeem voor het eerst hele narratieven ontwikkelen, onafhankelijk van de werkelijkheid. En het kon ze niet alleen construeren, dankzij de achterdeur van de amygdala konden we ook het gevoel hebben dat ze belangrijk waren. Dat ze echt waren. Het systeem dat bedoeld was voor automatismen, voor verklaringen achteraf, kon ineens een verhaal creëren, dat we vervolgens ook nog eens als waar en belangrijk gingen ervaren. De ultieme vorm van jezelf voor de gek houden. We konden gaan geloven.
De keuze voor een perceptie gedomineerd door het primaire of het secundaire systeem is niet neutraal. Het secundaire systeem heeft namelijk hele andere belangen dan het primaire. Het is een abstracte bedachte wereld versus een echte concrete. Dat blijkt niet alleen uit de functies van de beide systemen, maar ook uit de neurochemie. Het secundaire systeem leunt zwaar op dopamine, de neurotransmitter die mensen naar doelen drijft, ongeacht obstakels. Dopamine is de stof van planning, van volharding, van willen. Het primaire systeem daarentegen wordt sterk beïnvloed door noradrenaline, de stof die het lichaam in verhoogde alertheid brengt, die gevoeligheid voor de omgeving vergroot, die ons doet reageren op wat er nu gebeurt. Waar dopamine drijft, stemt noradrenaline af.
Een cultuur die gebouwd is op dopamine ziet er anders uit dan een die gebouwd is op noradrenaline. De eerste streeft rucksichtslos meer controle na, de tweede stemt af. De eerste wil meer, de tweede vraagt: past dit? De eerste bouwt systemen die groeien ongeacht de gevolgen, de tweede voelt wanneer iets uit balans raakt. De eerste telt, de tweede weegt. De eerste is van de spreadsheet, de tweede van de onderbuik.
Wij leven in een dopaminecultuur. Een cultuur van doelen, targets, KPI's. Een cultuur waarin stilstand achteruitgang is, waarin twijfel zwakte is, waarin niet-weten onprofessioneel is. Een cultuur die mensen beloont die door blijven drukken, ongeacht de obstakels, precies wat dopamine doet.
De noradrenalinecultuur, de cultuur van alertheid, van afstemming op de omgeving, van voorzichtigheid en bescheidenheid, is naar de marge verdreven. Wie zegt "dit voelt niet goed" zonder het te kunnen uitleggen, wordt niet serieus genomen. Wie twijfelt wordt gepasseerd door wie zeker is. Wie wacht wordt ingehaald door wie handelt.
Je zou nog kunnen proberen te verdedigen dat je voorkeur voor een van de twee een kwestie is van persoonlijkheid, van voorkeur of smaak. Je hebt tenslotte ook verschillende type mensen.
Maar dit boek geeft geen moreel oordeel. Alleen een analyse van geschiktheid, een evaluatie van het idee van succes. En dan is een dominant secundair systeem niet neutraal. Want wat als dat secundaire system helemaal niet geschikt is om aan het stuur te zitten. Wat als er zelfs een fout in dat systeem zit.
Emotie als gevolg van chemische uitwisseling is per definitie waar en echt, zij is immers zelf de chemische uitwisseling. Blijdschap omdat iets wat je tegenkomt goed voor je is, is zo echt en juist als maar kan. Emotie als gevolg van bedachte verhalen kan daarentegen onecht en misleidend zijn. Zonder correctie van het primaire systeem is niet langer de realiteit heilig, maar het verhaal. Het secundaire systeem blijft aan dat verhaal bouwen, net zo lang tot het zichzelf en de wereld om zich heen heeft overtuigd. We vinden het dan ook belangrijker dat anderen het met ons eens zijn, dan dat iets waar is. Niet omdat hun instemming de kwaliteit van onze beslissing verbetert. Maar omdat hun instemming ons verhaal bevestigt.
Via de achterdeur van de amygdala kunnen we blijdschap en angst opwekken zonder dat er reële aanleiding voor die blijdschap of angst is. We kunnen onszelf bang maken door na te denken over mogelijke rampen of door mensen van een andere etniciteit als bedreigend aan te merken. We kunnen onszelf boos maken door te piekeren. We kunnen onszelf gelukkig maken door te fantaseren over toekomstig succes.
We kijken naar Goede Tijden Slechte Tijden en gebruiken andermans verzonnen gevoelens om achtereenvolgens onze amygdala, hypothalamus en hippocampus te activeren. We voelen mee met personages die niet bestaan, in situaties die nooit hebben plaatsgevonden. En die gevoelens voelen echt, ons lichaam maakt geen onderscheid tussen fictie en werkelijkheid.
We maken onszelf wijs dat we gelukkig zijn met een partner die niet bij ons past. Jarenlang onderdrukken we de onplezierige gevoelens met een plus-min-lijstje. Hij is wel lief voor de kinderen. Je kunt wel op hem bouwen. De argumenten zijn rationeel. De emotie die ze produceren, een soort berusting die voelt als tevredenheid, is gefabriceerd.
En hier is het cruciale punt: omdat deze emoties lichamelijk gevoeld worden, de hartslag versnelt, de spieren spannen, de ademhaling verandert, ervaren we ze als authentiek. Ze voelen echt. Ze voelen primair. Ze voelen alsof ze ergens over gaan. Maar ze gaan nergens over. Ze zijn het product van een vals narratief.
En daarmee trekken we de wereld van de menselijke soort steeds verder scheef. We vertrouwen het gevoel steeds minder. Dus bouwen we schema’s en volgen we patronen. En hoe meer schema's we bouwen, en hoe meer we ons overgeven aan processen en procedures, hoe minder we het gevoel vertrouwen. Hoe meer we analyseren, hoe minder we durven te voelen. Tot het punt waarop een beslissing nemen zonder spreadsheet voelt als onverantwoordelijk en niet leven volgens een agenda immoreel.
Het vertroebelt wat het belangrijkste voor ons zou moeten zijn. We missen de belangrijkste momenten in ons leven omdat onze agenda ons vertelt dat we ergens anders moeten zijn.
We hebben het secundaire systeem zo lang laten regeren dat we vergeten zijn dat het ooit anders was. Tegenwoordig kunnen we heftige emoties voelen over die verzonnen verhalen, procedures en processen. Ze bepalen een groot gedeelte van onze levens.
Zonder de constructen zou niemand fanatiek doen over religies of nationaliteit. Of boos zijn op de tegenstander van je favoriete voetbalclub. Er zouden geen familievetes bestaan die generaties overspannen. Geen behoefte aan social media.
We vinden het belangrijker dat we regels volgen dan dat de regels juist zijn. De vaatwasser moet op een bepaalde manier worden ingeruimd. De auto moet recht in het parkeervak staan. Alles is ingeruild voor een afgebakend en gecategoriseerd leven.
We denken zelfs dat de realiteit is opgebouwd uit die wetmatigheden. Dat de wereld zelf werkt volgens de regels die wij hebben bedacht. Dat onze categorieën de structuur van het universum weerspiegelen.
Die dingen zijn allemaal gefabriceerd. De verhalen, de procedures, de wetmatigheden. En hoewel ze allemaal als echt gevoeld worden, hebben ze niks te maken met de realiteit.
Dat is de toestand waarin we ons bevinden. Twee systemen in één hoofd, waarvan het verkeerde aan het roer zit. Een hulpsysteem dat ons een schijnwerkelijkheid opdringt, die voelt als echt. En wij kunnen niet stoppen met geloven.
Tijd om de verhalen te ontmaskeren.
DEEL 4: DE TYRANNIE VAN TAAL
Hoofdstuk 11: De geboorte van de sluier
“Im dionysischen Dithyrambus wird der Mensch zur höchsten Steigerung aller seiner symbolischen Fähigkeiten angeregt; etwas nie Empfundenes drängt sich zur Äußerung, die Zerstörung des Schleiers der Maja, das Einssein als Genius der Gattung, ja der Natur. Jetzt soll sich das Wesen der Natur symbolisch ausdrücken; eine neue Welt der Symbole ist nötig, die ganze Leibsymbolik, nicht nur die Symbolik des Mundes, des Gesichts, des Wortes, sondern die volle alle Glieder rhythmisch bewegende Tanzgebärde. Dann wachsen die anderen symbolischen Kräfte, die der Musik, plötzlich in mächtigem Drängen heran, in Rhythmik, Dynamik und Harmonie. Um diese Gesamtentfesselung aller symbolischen Kräfte fassen zu können, muß der Mensch bereits jene Höhe der Selbstentäußerung erreicht haben, die sich in diesen Kräftensymbolisch offenbaren will: der dithyrambische Diener des Dionysus wird also nur von Seinesgleichen verstanden!”
Taal
In het Griekenland van 700 voor Christus dansten mensen voor Dionysus. De dithyrambe was geen gewone dans. Het was een extatische lofzang waarbij het hele lichaam sprak. De ritmiek van de voeten, de dynamiek van de armen, de harmonie van stemmen die samensmolten. Nietzsche zag erin de hoogste ontplooiing van alle symbolische vermogens van de mens, niet alleen de symboliek van de mond, van het gezicht, van het woord, maar de alomvattende dansfiguur waarbij alle ledematen ritmisch bewegen.
Dionysus was de god van de roes, van de extase, van het overschrijden van grenzen. Zijn rijk was dat van de chaos, de vruchtbaarheid, de eeuwige transformatie. In zijn rituelen vervaagden de grenzen tussen het individu en de groep, tussen de groep en de natuur. Er was geen scherpe lijn tussen binnen en buiten, tussen ik en jij, tussen mens en wereld. Dionysus was de god van de chemische werkelijkheid. De moleculaire dans waar alles met alles verbonden is en voortdurend in elkaar overvloeit. Dit is de wereld zoals hij bestaat. De wereld de we met ons primaire systeem ervaren en beleven.
Tegenover Dionysus stond Apollo. De god van de abstractie, van de vorm, van de maat. Zijn rijk was dat van de orde, de structuur, de helderheid. Apollo categoriseerde. Hij scheidde het ene van het andere. Hij maakte van de vloeiende werkelijkheid een verzameling afgebakende objecten.
Wat Nietzsche mythologisch beschrijft als de spanning tussen Dionysus en Apollo, is een verbeelding van de spanning tussen de chemische realiteit en het perspectief van de mens. De chemische realiteit, het domein van de symbolische communicatie. Het perspectief van de mens met haar abstracte categorisering en taal.
Die Apollinische dimensie is uniek voor de mens. Die is ontstaan uit de vaardigheid van het secundaire systeem om af te bakenen en te categoriseren. Het potentieel van die vaardigheid kreeg een turbo boost met de ‘uitvinding’ van haar krachtigste systeem: Taal.
Taal kun je met recht een evolutionaire variatie noemen. De laatste stap naar ‘the final age of Man’. Taal wordt vaak gezien als datgene wat de mens speciaal maakt. Als een geavanceerde vorm van communicatie. Maar dat is een misverstand. Taal is niet per se geavanceerder dan andere vormen van communicatie. Het is eerder een vreemde variatie. Een afwijking.
Want heel veel dingen communiceren. Vogels communiceren. Walvissen communiceren. Zelfs bomen communiceren, via schimmels onder de grond. Lichaamstaal communiceert. Muziek communiceert. Dans communiceert. Er zijn vele soorten van communicatie tussen levende dingen. Die van ons werkt echter anders.
De meest oorspronkelijke vormen van communiceren bij dieren zijn niet gebaseerd op complexe taal maar op fysieke en chemische reacties. Feromonen, geuren, gezichtsuitdrukkingen, lichaamstaal, zweetdruppels, kippenvel, het zijn allemaal primaire lichamelijke reacties op een ervaring die door een ander waargenomen kunnen worden. Er komt geen denken aan te pas. Je gromt om iemand weg te jagen. Je glimlacht als je iemand aardig vindt. Je zweet als je je inspant. Je haren gaan overeind staan als je bang bent.
Dit soort communicatie werkt vanuit de moleculaire werkelijkheid. Het zegt niets over jou los van de context, of over de ander los van de context. Het zegt altijd iets over de relatie, de reactie, het moment. Nooit de leeuw als abstract idee, maar altijd deze leeuw, hier, nu, waar je voor moet vluchten. Dit type communicatie is sterk verbonden met limbische- en diepere netwerken, waaronder de amygdala. Het is chemisch, onmiddellijk, context gebonden. En lang was het de enige vorm van communicatie.
Onze afdaling uit de bomen, die al eerder voorbijkwam, was niet alleen het startschot van rechtop lopen en slechter ruiken, het was ook essentieel voor het ontwikkelen van de nieuwe vorm van communicatie. Dankzij de voorhanden die vrijkwamen.
Het eerste wat we me die handen deden was gereedschap maken. Om gereedschap te maken zijn repetitieve handelingen, planning en patroonherkenning vereist. Omdat onze linkerhersenhelft daar meer gespecialiseerd in is dan onze rechterkant, werd dat gereedschap vooral gemaakt en gebruikt met de rechterhand.
Die rechterhand ging flink voor ons aan de slag. Al deze werktuigen gaven ons meer controle over onze omgeving. Wapens om ons mee te verdedigen, om aan te vallen. Gebouwen om ons te beschutten tegen regen en wind. Dit vergrootte de overlevingskansen. Het maakte het mogelijk om langer op een plek te blijven. Waardoor we in grotere groepen bij elkaar konden gaan leven.
Die nieuwe complexiteit vereiste nieuwe vormen van sociale interactie, nieuwe mogelijkheden om te communiceren. En wat is dan beter geschikt dan een tool die je toch al hebt? Die rechterhanden die gereedschappen maakten en gebruikten, bleken ook zeer geschikt voor de eerste gebaren.
Niet alle gebaren worden gemaakt met de rechterhand. De emotionele gebaren die hun oorsprong vinden in het primaire systeem worden vooral met links gedaan. Met je vuist wuiven als expressie van boosheid, of naar je hart grijpen als je verdrietig bent doe je bij voorkeur met links. Maar iets aanwijzen, of een handgebaar dat uitdrukt dat er een leeuw aankomt, dat gebeurt met je rechterhand. En wordt dus geregisseerd door dat secundaire systeem.
De eerste abstracte gebaren waren simpel. Een ‘pas op’. Een ‘waar?’. Een ‘ik wil dat’. Een ‘ik ben de baas’. Ze waren abstract in de zin dat ze iets representeerden dat er niet was. Net als een gebaar voor ‘leeuw’ dat verwijst naar een leeuw die je niet ziet.
Voor die gebaren heb je twee dingen nodig: een slechte neus en ‘voorarmen’. Je ziet ze dan ook vrijwel uitsluitend bij primaten. Onderzoekers vergeleken gebaren bij bonobo’s, chimpansees en menselijke kinderen. De overeenkomsten waren opvallend. Uitreiken naar een object, aanwijzen, een gebaar om opgepakt te worden, al deze gebaren kwamen bij alle drie voor. Deze gebaren vertonen bij alleen een voorkeur voor de rechterhand. Dit suggereert dat de ontwikkeling van intentionele gebaren begon vóór de volledige afsplitsing van de menselijke lijn. De basis voor representatieve communicatie is dus ouder dan de moderne mens.
Maar er was ook een verschil. Bij menselijke kinderen worden gebaren, naarmate ze ouder worden, steeds vaker begeleid door geluiden en uiteindelijk aangevuld of deels vervangen door geluiden. Bij andere mensapen blijven gebaren belangrijker; zij ontwikkelen geen vergelijkbaar open-eindig vocaal systeem.
Zoals voorheen zicht het steeds meer won van reuk, bleken gebaren en geluiden nu vaak handiger dan chemische communicatie. Wanneer iemand een gebaar maakt, zie je dat van een afstand. Wanneer iemand een geluid maakt, hoor je dat over nog grotere afstanden. De steeds grotere gemeenschappen maakten abstracte communicatie niet alleen mogelijk, maar steeds waardevoller. Vooral als je veel steeds meer te benoemen hebt. Chemische communicatie verdween niet, maar verloor haar dominante rol in sociale interactie. Eerst door abstracte gebaren, maar ook steeds meer door abstracte geluiden.
Veel verschillende soorten klanken maken is nog niet zo simpel. Om van gebaren naar spraak te gaan, heb je een klankkast nodig, een ruimte in je lijf die je zodanig kan manipuleren dat er verschillende vibraties ontstaan. Die zit in ons strottenhoofd. Alle zoogdieren hebben er een. Daarin wordt geluid gegenereerd en toonhoogte en volume aangepast.
We zien het begin van die vaardigheid al bij andere apen. De Vervet-aap heeft verschillende alarmroepen. Een ‘luipaard-call’, een ‘slang-call’, een ‘arend-call’. Elke roep triggert een specifieke reactie. Luipaard: de boom in. Slang: rechtop staan en speuren. Arend: dekking zoeken in de struiken. In onderzoeken lukte het wetenschappers om voorspelbare reacties op te wekken door opgenomen geluiden af te spelen via luidsprekers. Abstract dus.
Chimpansees gaan nog verder. Onderzoekers namen hun vocalisaties op en ontdekten dat andere chimpansees bij bepaalde voedselgeluiden naar afbeeldingen van dat voedsel wezen. Hun systeem heeft een beperkt aantal vaste signalen en kan niet vrij nieuwe combinaties om nieuwe betekenissen uit te drukken, zoals bij ons.
Onze klankkast kan meer dan die van andere zoogdieren. Ook dat komt weer door het rechtop staan. Doordat we rechtop lopen, veranderde de verhouding tussen mondholte en keelholte; het strottenhoofd daalde relatief, waardoor een meer uitgesproken L-vormig vocaal kanaal ontstond. Daardoor kunnen we veel meer geluiden maken dan andere zoogdieren. Klinkers, medeklinkers, subtiele variaties, ons instrument werd steeds verfijnder.
In evolutie is alles en niks toevallig. Dit vermogen om meer geluiden te maken kan ook een toevallige bijwerking zijn van dat strottenhoofd. Het strottenhoofd heeft namelijk meer functies dan alleen spraak. Wanneer we zware dingen tillen, gebruiken we het om de druk van onze borstkas naar onze benen over te brengen. Het zou ironisch zijn als de kroon op onze evolutie en ons talent om zware dozen te verhuizen beiden dezelfde oorzaak hebben. Maar het maakt niet uit waarom het gebeurde. Wat telt is dat het gebeurde. En dat het een extra voordeel opleverde in onze evolutionaire specialisatie: het vermogen om klanken te maken die abstracte categorieën en objecten representeren, die los van het onmiddellijke en concrete gecommuniceerd kunnen worden.
Dit hele idee om geluiden te gebruiken voor communicatie is dus niet uniek voor de mens. Het grote verschil zit hem in wat voor dingen je wil uitdrukken en hoe vaak en veel je het gebruikt. Een klankkast die in staat is om veel verschillende geluiden te maken komt pas echt tot zijn recht met een brein dat categoriseert en geluiden kan koppelen aan die categorieën. Een systeem dat een abstract idee kan verbinden aan een standaardgeluid, en dat proces ook omgekeerd kan afleggen.
Dat is geen eenvoudig proces, maar één die wij als geen ander beheersen. Het lijkt een beetje op het versturen van een zipbestand. De zender stript zijn ervaring van het grootste gedeelte van de context en verpakt het in een woord. De ontvanger moet na ontvangst zelf de context weer toevoegen, zijn eigen context, gebaseerd op zijn eigen ervaringen. Zo zijn mensen in staat om vereenvoudigde representaties van de wereld met elkaar te communiceren. Hoewel het een vereenvoudiging is, is dit een verdomd ingewikkeld proces.
Een eerste stap is onderscheid te maken tussen ‘gewone’ geluiden en taal. Dat doen onder meer de thalamus en de primaire auditieve cortex. Pas als vaststaat dat het om taal gaat, wordt het geluid verder geanalyseerd en wordt er betekenis toegekend. In het gebied van Wernicke wordt het ingepakte woord ontvangen en voegt de ontvanger zelf context toe om weer betekenis te geven. Woorden produceren we in een ander gebied, het gebied van Broca.
Apen hebben overigens ook de gebieden van Broca en Wernicke. De Broca bij apen is betrokken bij vele cognitieve en perceptuele taken, en Wernicke vooral bij niet-abstracte communicatie. Het lijkt er dan ook op dat ons secundaire systeem de macht heeft overgenomen in gebieden die voorheen door het primaire systeem gebruikt werden. De neurale circuits hebben we met alle primaten gemeen, maar deze vaardigheid voor geavanceerde abstracte communicatie lijkt uniek te zijn voor mensen.
Taal is dus niet veroorzaakt door magie of door goddelijke interventie. Gebieden die eerder werden gebruikt voor andere alledaagse taken hebben bij ons een andere toepassing gekregen. Net zoals een gebroken schop kan worden gebruikt als een bijl, door alleen het handvat te verwisselen. In een tijd waarin je meer gebruik maakt van een schop dan van een bijl zal deze mutatie niet slagen. Maar als je leeft in een cultuur van houthakkers word je zeker de koning.
Bij sommige mensen is het gebied van Wernicke beschadigd, waardoor ze geen betekenis meer aan woorden kunnen toevoegen. Hoe tragisch dat ook voor hen is, wij kunnen er iets fascinerends uit afleiden. Deze mensen kunnen namelijk nog wel gecompliceerde zinnen uitspreken. Ze hebben alleen geen idee wat ze zeggen. Wie schade heeft aan Broca begrijpt alles maar kan zelf nauwelijks spreken. Schade tussen deze gebieden laat zien dat taal relatief los kan functioneren van het onmiddellijke concrete. Het is een abstract patroon dat tot op zekere hoogte onafhankelijk van directe waarneming kan opereren. Dat impliceert dat we onafhankelijk betekenis kunnen geven aan woorden en dus feitelijk alles in taal kunnen zeggen, begrijpen en geloven. Zonder dat het iets met de werkelijkheid te maken heeft.
Westerse talen
Na het verlies van geur, na de versterking van het secundaire systeem, na de opkomst van gereedschap en vuur, kwam nu een nieuwe stap in abstractie. Met taal kon het secundaire systeem niet alleen patronen herkennen of toepassen. Het kon patronen benoemen, combineren en overdragen los van directe ervaring. Maar dat was nog niet het eindpunt van onze evolutionaire specialisatie. Het is nog een grote stap van het benoemen van objecten in de wereld naar een cultuur waarin vijftienjarige kinderen op school signaalwoorden en tekstschema’s moeten leren.
Taal bestond al tienduizenden jaren. Mensen zongen, riepen, vertelden verhalen rond het vuur van Germania tot Indonesië. Toch bleef taal in die vorm grotendeels ingebed in context, ritueel en directe ervaring. Om te komen tot een cultuur waarin we nu leven moest het secundaire systeem nog één overwinning behalen. En dat kon alleen door taal zelf het fundament van het ‘denken’ te laten worden. Door de wereld niet te ervaren zoals hij is, maar in de vorm van categorieën en hun abstracte representaties. Zo kon de complexiteit van de chemische realiteit definitief vaarwelgezegd worden. De Grieken, dezelfde van de Dionysische dithyrambe, waren de eersten die die noot kraakten.
Tot ongeveer 800 voor Christus was Griekenland een lappendeken van kleine gemeenschappen. De economie was eenvoudig, landbouw kleinschalig, kennisoverdracht hoofdzakelijk mondeling. Daarna zien we een versnelling: stadstaten ontstaan, financiële systemen worden opgezet, het Fenicische alfabet wordt overgenomen, epische poëzie wordt op schrift gesteld, politieke structuren worden geformaliseerd. De wereld wordt administratief, juridisch en intellectueel complexer.
Deze sprong is volgens fenomenoloog Klaus Held begonnen bij grammaticale mogelijkheden in de Griekse taal. Het werkwoord einai — zijn — en het bepaald lidwoord. Voor het eerst wordt het mogelijk om de werkelijkheid grammaticaal te behandelen als iets dat op zichzelf bestaat. Door het werkwoord ‘zijn’ kun je zeggen dat iets ís, niet alleen dat het gebeurt of verschijnt, maar dat het een vaste status heeft, objectief, onafhankelijk en onveranderlijk. Je kan het zeggen, ook als het niet zo is. Dit is de voorwaarde voor belangrijke westerse concepten die onze cultuur hebben gevormd. Zonder einai is het niet mogelijk om een individu te ‘denken’ dat onafhankelijk en onverdeeld is. En kan je de wereld niet zien als verzameling van objecten die naar hartenlust gemanipuleerd kan worden. En als einai centraal komt te staan in je grammatica vergeet je dat de wereld een chemische soep is.
Het lidwoord versterkt dit perspectief. Met die lidwoorden kan je zelfstandige naamwoorden aanduiden, alsof ze onafhankelijk zijn. ‘De mens’ geeft de illusie van een vast omlijnd, afgebakend object. Met die lidwoorden kan je zelfs nog een stap verder gaan. Je kan eigenschappen van dingen zelf zelfstandig ‘denken’ en bestuderen. Niet alleen ervaren we iets als ‘goed’, we kunnen nadenken over ‘het goede’. Iets is niet alleen ‘waar’ in een context, maar er ontstaat een zoektocht naar ‘de waarheid’. Wat eerst relationeel aspect van de ervaring was wordt nu een object, geïsoleerd uit de chemische realiteit, waar je over kunt nadenken. Maar let op, niet in de realiteit, alleen in het verhaal dat we zelf met ons secundaire brein hebben gecreëerd.
Dat lijkt misschien een kleine taalkundige verschuiving. Maar het maakt een enorme stap mogelijk: de wereld verschijnt als een verzameling dingen die je kunt vaststellen, benoemen en analyseren, bezitten, manipuleren en overdragen.
Hierdoor werden de Grieken niet slimmer. Hun grammaticale mogelijkheid deed de werkelijkheid eenvoudiger lijken dan hij is. Hij werd categoriseerbaar, communiceerbaar, schaalbaar. We waren daardoor ineens de leerling in de klas die makkelijker opgaven kreeg dan de rest en daardoor de hoogste cijfers haalde.
Maar niet alle culturen gingen deze weg. Het grote verschil in de ontwikkeling van menselijke culturen lijkt te liggen in de mate waarin hun taal de werkelijkheid grammaticaal fixeert. Hoe sterker een taal de wereld structureert als een verzameling afzonderlijke, stabiele entiteiten, hoe dominanter de rol van het secundair systeem wordt in de perceptie van die cultuur.
Het Mandarijn werkt bijvoorbeeld anders. Veel Chinese woorden kunnen zowel zelfstandig naamwoord als bijvoeglijk naamwoord als werkwoord zijn. De volgorde wordt niet bepaald door grammaticale regels, maar door de emotionele inhoud van de zin. Het klassieke Chinese woord was geen abstract teken voor een afgebakend concept. Het was eerder een symbool voor een geluid met een sterke suggestieve verwijzing naar een bepaald complex van beelden en emoties. De bedoeling van de spreker was niet zozeer om een intellectueel idee uit te drukken, als wel om de luisteraar te beïnvloeden en te overtuigen.
Mandarijn is daardoor niet per se minder abstract dan bijvoorbeeld het Nederlands. Je kunt er net zo goed ingewikkelde ideeën mee uitdrukken. Maar de manier waarop de taal is opgebouwd, zet dingen minder snel vast als vaste toestanden.
In het Nederlands zeggen we voortdurend dat iets is: hij is boos, dit is waar, dat is een probleem. Dat klinkt alsof dingen een stabiele status hebben. In het Mandarijn kan veel betekenis worden uitgedrukt zonder zo’n expliciete “is”-constructie. Eigenschappen worden vaker direct gekoppeld aan een situatie, zonder dat ze grammaticaal worden vastgezet als blijvende toestand.
Daar komt bij dat Mandarijn een toontaal is. Toonhoogte verandert de betekenis van een woord. Dat betekent dat betekenis niet alleen in de abstracte vorm van het woord zit, maar ook in hoe het klinkt. De taal blijft daardoor sterker verbonden met klank, ritme en context.
Ook het schrift speelt mee. Chinese karakters zijn geen alfabetische bouwstenen, maar visuele tekens met een lange geschiedenis van beeld en betekenis. Lezen is daardoor niet alleen lineair ontcijferen, maar ook een kwestie van verbeelding en gebruik.
Samen zorgt dat ervoor dat betekenis in het Mandarijn minder hard wordt vastgezet als één vaste, onveranderlijke entiteit. Woorden verwijzen naar velden van betekenis die afhankelijk blijven van situatie en samenhang. De taal fixeert minder snel, en laat daardoor meer ruimte voor nuance, perspectief en onderlinge verbondenheid.
Mandarijn laat zien dat complexe beschaving niet afhankelijk is van maximale ontologische fixatie. Het is daardoor minder abstract, en de grammaticale architectuur stabiliseert identiteit minder nadrukkelijk via een dominante copula-structuur en een systeem van lidwoorden zoals in Indo-Europese talen. En het zal je niet verbazen, het begrijpen en gebruiken van Mandarijn is niet, zoals bij ons, iets wat alleen in de linker hersenhelft gebeurt. Ook gebieden in de rechterkant van het brein, die minder beheerst worden door het secundaire systeem worden ingezet.
Ook in veel Indiaanse talen, zoals Navajo, ligt de nadruk sterker op verandering, relaties en beweging dan op fixatie van zelfstandige objecten. Dat betekent dat zij minder abstract zijn, hun perceptie concreter, en onmiddellijker. Onderzoek met Navajo-kinderen bevestigde dit. De kinderen presteerden significant beter wanneer taal werd aangeleerd via stimulatie van de rechterhersenhelft. Bij traditionele scholingsmethoden, gericht op de linkerhersenhelft, bleven ze achter.
Verschillende talen, een verschillende balans tussen primair en secundair systeem, verschillende perspectieven.
De vraag is niet of abstracte westerse talen beter zijn. Ze hebben een enorme economische en militaire voorsprong opgeleverd omdat ze isolatie, categorisering en schaalvergroting mogelijk maakten. Maar die kracht berust wel op vereenvoudiging. Wat gefixeerd wordt als object, wordt losgemaakt uit de chemische samenhang waaruit het voortkomt. En daardoor zijn we continu in conflict met onszelf en ontwrichten we de wereld die ons voedt en voortbrengt. Dat werkt toch een beetje als een boemerang.
Mooier dan Galroy Yunupingu, een Aboriginal uit Arnhemland, kan het niet uitgedrukt worden. De taal van de Aboriginals in Australië kent geen woord voor het eigendom van land. ‘Het land is van mij’, is een zin die je in hun taal niet kunt construeren. Land bestaat alleen in relatie tot de mensen die er leven en de voorouders die er leefden. Het behoort tot de groep zoals de groep tot het land behoort:
Galroy Yunupingu legde uit waarom zijn volk geen mijnbouw toestaat:
‘The minerals are very special. They are the bones that support me. Without bones I would not sit here upright, would I? This land would collapse if it weren’t for the minerals. Our people have always known the sanctity of these minerals was in the secret they carry, they are our bones. The minerals that the white man distracts from the earth are our bones.
We have a bond with the land. Only the land can give us feeling, can give us life. Life itself. Without land, we would just wonder around, without it, the people are lost. You have nothing to rely on, to fall back on. Then there is nothing left, from which you can draw life-force. It’s not just mentally, it’s more than a feeling. We talk to the land, to the trees and the rocks. The land is always alive. If it were not, this tree would not breath and grow. The grass would be dead, just as everything would be dead! Land is life, and it talks to the Aborigines. Only the Europeans do not know what land is.’
We doen dit soort woorden vaak af als primitieve onwetendheid. Maar je hoeft maar te kijken naar de aardbevingen in Groningen om te realiseren dat hij een werkelijkheid ervaart die meer lijkt op de realiteit lijkt dan die van ons.
De vraag dringt zich op: was onze weg onvermijdelijk?
Het antwoord is nee.
De abstracte talen van het Westen zijn een specifieke ontwikkeling. Een pad dat wij zijn ingeslagen, maar zeker niet het enige pad denkbaar. Andere culturen ontwikkelden andere talen, en daarmee andere manieren om de werkelijkheid te ervaren.
Klimaatverandering. Ecologische verwoesting. Sociale fragmentatie. Problemen die een cultuur met een minder abstracte taal misschien nooit zou hebben gehad. Omdat die cultuur nooit zou hebben geloofd dat je het land kon bezitten. Dat je de aarde kon uitputten. Dat je los kon staan van de wereld die je draagt.
Hoofdstuk 12: De gevangenis van woorden
“When they (my elders) named some objects, and accordingly moved towards something, I saw this and I grasped that the thing was called by the sound they uttered when they meant to point it out. Their intention was shewn by their bodily movements, as it were the natural language of all peoples: the expression of the face, the play of the eyes, the movement of other parts of the body, and the tone of the voice which expresses our state of mind in seeking, having, rejecting, or avoiding something. Thus, as I heard words repeatedly used in their proper places in various sentences, I gradually learnt to understand what objects they signified; and after I had trained my mouth to form these signs, I used them to express my own desires."
Hoe de grammaticale uitvindingen van ‘zijn’ en het lidwoord de structuur van onze taal bepalen zien we mooi in deze quote van Sint Augustinus die leefde in de 4e eeuw na Christus. Hij was de beroemdste filosoof van zijn millennium en je zou kunnen zeggen dat hij de Plato van het christendom was, omdat hij het platonisme min of meer in een religie met een God veranderde.
Augustinus beschrijft taal hierboven als een praatje-plaatje systeem. Elk woord verwijst naar een object en krijgt zijn betekenis van dat object. Betekenis is dan vooral een stereotype beeld dat we van een object hebben. Hoe dit in zijn werk gaat is makkelijk te illustreren aan de hand van hoe een klein kind taal leert. Papa houdt tientallen keren een bal voor de neus van de baby en maakt met zijn mond, waarschijnlijk zeer overdreven, de klank ballll, ballll, balll. Dit herhaalt de vader totdat het kind uiteindelijk het woord herhaalt. Dan wordt er enthousiast ge-applaudiseerd en wordt de prestatie trots doorverteld aan vrienden en familie. Vervolgens noemt het kind alle ronde dingen, waarmee je kan gooien, of waar je tegenaan kan trappen, een bal.
Zinnen zijn dan beschrijvingen van objecten. De bal rolt. De bal is rond. Schiet de bal. Dit noemen we referentialisme. Volgens dit idee is het leren van taal niets anders dan het labelen van objecten met namen.
Dat onze taal zo werkt is niet vreemd. Het ligt in lijn met de regels van het secundaire brein, dat werkt precies zo. Lijken de dingen een beetje op elkaar? Zo ja, dan versimpelen we ze gooien ze in een categorie. En dan verzinnen we voor de hele categorie een standaard reactie.
Het potentieel van zo’n talig systeem is inmiddels al wel duidelijk geworden. Maar misschien zie je ook de beperkingen al wel. Het wordt bijvoorbeeld ingewikkeld als je iets voor het eerst meemaakt. Wat voor woorden gebruik je dan? Als je voor het eerst vader wordt, hopeloos verliefd bent, of oog in oog staat met iets dat oogverblindend mooi is, zal je met je mond vol tanden staan. Denk maar eens aan een voetballer die voor de camera staat nadat hij voor het eerst de Champions League heeft gewonnen, of de winnaar van de ‘the Voice of Holland’ die een microfoon onder haar neus geschoven krijgt. ‘Ik heb er geen woorden voor’ is dan niet voor niks het enige wat ze kunnen uitbrengen. Nietzsche noemt die ervaringen randervaringen, en ook hij stelt dat onze abstracte taal in die gevallen ernstig tekortschiet. Meestal verklaren we dat door te zeggen dat die persoon overmand is door emoties. En dat klopt heel aardig. Die persoon heeft een ervaring die niet in de structuur van taal past. Een ervaring die niet te vergelijken is met al die dagelijks ervaringen die tegenwoordig allemaal op elkaar lijken.
Hoe complexer iets wordt, hoe lastiger het ook wordt om het begrip daarvan uit te drukken in woorden. Of iets complex is, is een kwestie van chemische complexiteit. En dat wil weer zeggen hoeveel moleculen iets bevat, hoe complex die moleculen zijn en hoeveel reacties die moleculen aangaan. Levende dingen zijn daarom ook veel lastiger in een woord te vatten dan levenloze. Zo mis je door het woord steen relatief weinig context, omdat een steen een weinig diverse moleculaire samenstelling heeft en weinig reageert met andere moleculen. De vereenvoudiging doet de werkelijkheid maar een beetje geweld aan. Bij het woord rivier wordt het al lastiger, bij een appel nog meer, en bij muizen en mensen toont abstracte taal steeds meer zijn beperkingen. Hoe complexer iets is, hoe meer je van de context moet weglaten, hoe verder het woord van de werkelijkheid af komt te staan.
Het is niet raar dat onze taal zo werkt. Het is immers onderdeel van het secundair systeem, en werkt dus ook vanuit dezelfde ontwerpprincipes. Waar reuk volledige moleculaire complexiteit ervaart en daardoor alle schakeringen en verbanden van de realiteit, ervaren de zintuigen van het secundaire systeem vooral contrasten: randen in licht, verschillen in toonhoogte, overgangen in temperatuur. De volgende cognitiestap comprimeert die verschillen tot categorieën. En het semantische systeem fixeert die categorieën in woorden. In dat proces worden de twee belangrijkste ordenende principes van taal toegepast: de regel van vereenvoudiging en de regel van tegenstellingen. Ze produceert de illusie van vaste afgebakende objecten die bestaan als heldere tegenpolen. Warm bestaat alleen bij de gratie van niet-warm; licht bij de gratie van donker. Een continuüm wordt een keuze, een nuance wordt een kamp. Zo verandert een dynamische wereld in hanteerbare paren, niet omdat de werkelijkheid binair is, maar omdat ons brein efficiënt wil zijn en taal efficiëntie tot structuur maakt.
Die tegenstellingen zijn ook nog eens niet neutraal. Dat tegenstellingen zelden neutraal blijven, maar vrijwel altijd een positieve of negatieve lading krijgen, komt waarschijnlijk doordat onze abstracte categorieën gebouwd zijn op lichamelijke ervaring. Ik noem dat: de regel van plus en min. Die zorgt ervoor dat elke categorie een negatieve of een positieve associatie meekrijgt, zonder dat we dat bewust hebben ‘gedacht’.
Neem bijvoorbeeld het feit dat wij denken en praten in hoger en lager. Als fysieke wezens in een ruimtelijke wereld met zwaartekracht ervaren we hoger en lager als iets echts. In die fysieke wereld is hoger vaak beter dan lager. Je hebt meer overzicht, het is voordelig in een fysieke strijd, je communiceert onderdanigheid met een lage onbedreigende houding, en hoge bomen krijgen meer zonlicht. In die ruimtelijke wereld is ook licht beter dan donker. Warm is beter dan kou, sterk is beter dan zwak. Die projecties zijn geen toevallige stijlfiguren, maar verankerd in een lichaam dat asymmetrisch in de wereld staat: rechtop is vitaal, vallen is gevaarlijk, donker beperkt oriëntatie, kou bedreigt het metabolisme. Het limbisch systeem, onze amygdala voegt daar een affectieve richting aan toe van naderen of vermijden waardoor één pool als gunstig wordt ervaren en de andere als ongunstig.
Tot zover valt de vervorming van de realiteit door het toepassen van de regel van plus en min nog wel mee. De plus en min associatie ontstaat door een concrete ervaring in de werkelijkheid. Maar deze ruimtelijke tegenstellingen gebruiken we ook te pas en te onpas in minder concrete situaties. En dat is wanneer de vervorming pas echt toeslaat.
Wat misschien in theorie een onschuldige vorm van categorisering is, blijkt bij nadere inspectie een principe dat diep in onze perceptie doordringt. Wie bovenaan staat, heeft macht; wie de bovenhand heeft, wint. We klimmen op, komen hogerop, bekleden een hoge functie of bereiken de top. Wat moreel prijzenswaardig is, noemen we hoogstaand, verheven, gericht op een hoger doel; wie zich onderscheidt, stijgt boven zichzelf uit of steekt boven het maaiveld uit. Zelfs ons denken beweegt omhoog: hoog niveau, hoger inzicht, een verheven geest. Emoties volgen dezelfde richting: we zijn opgewekt, in de wolken, krijgen een opkikker, voelen ons opgelucht.
Andersom werkt het hetzelfde. Wat we afkeuren is laag bij de grond, van laag niveau, laag instinct; wie terneergeslagen is, is neerslachtig; wie macht mist, is ondergeschikt of wordt onderdrukt; wat faalt bereikt het laagste punt of is ondermaats. Deze herhaling laat zien dat ‘hoog’ en ‘laag’ in onze taal zelden neutrale ruimtelijke aanduidingen zijn. Ze functioneren als dragers van plus en min, als verticale vectoren waarin waardering al is ingebouwd.
Als die fysieke categorieën worden geprojecteerd op abstracte domeinen kan het ook ongewenste effecten hebben. “Hoger” onderwijs suggereert meer waarde dan “lager” onderwijs, alsof praktische intelligentie minderwaardig is aan theoretische. We spreken over “hoger ontwikkelde” culturen, alsof geschiedenis een ladder is. We “kijken neer” op mensen, plaatsen groepen in een “onderklasse” en verheffen ideeën tot een “hoger plan”. Wat hier gebeurt, is geen neutrale beschrijving, maar een projectie: een ruimtelijk verschil wordt een morele hiërarchie. De verticale metafoor maakt van nuance een trap, en van diversiteit een boven- en onderverdieping. Daarmee doet taal de werkelijkheid subtiel, maar bruut geweld aan, omdat zij suggereert dat wat lager staat ook minder waarde heeft, terwijl hoogte in deze domeinen niets meer is dan een overgeërfde fysieke categorie. Hetzelfde gebeurt met tegenstellingen als licht-donker, warm-koud, sterk-zwak, en wat dacht je van man-vrouw?
In onze cultuur wordt het masculiene structureel hoger gewaardeerd dan het feminiene. Wat als “mannelijk” geldt, kracht, hardheid, dominantie, competitie, onafhankelijkheid, rationaliteit, wordt geassocieerd met leiderschap, succes en autoriteit. Wat als “vrouwelijk” geldt, zachtheid, zorg, emotie, afhankelijkheid, ontvankelijkheid, wordt sneller verbonden met zwakte. We spreken van “een echte vent” als compliment, maar “wijf” of “mietje” als belediging. Dat gezegd hebbende, onze scheldvocabulaire zit vol met deze abstracte tegenstelling met een waardeoordeel. Wie een man wil kleineren, noemt hem een wijf, een mietje, een trut, een pussy. Het verwijt is zelden dat hij te mannelijk is, maar dat hij vrouwelijk is. Andersom gebeurt dat nauwelijks: een sterke vrouw kan “een kerel” worden genoemd, niet als belediging, maar als compliment. En wat dacht je van de term “man up!”? Termen voor homoseksuele mannen zijn historisch vaak feminiserend. De richting is steeds dezelfde: het masculiene is de pluspool, het feminiene de minpool.
Dat laat zien dat de vereenvoudigde tegenstelling met een plus of een min misschien wel helemaal geen representatie van een concrete ervaring is, maar in de taalstructuur besloten ligt. Dat taal werkt als een versimpeld representatie van de werkelijkheid, waarin tegenstellingen op een waarde-as de wereld fixeren alsof de wereld bestaat uit vaststaande objectieve absoluten op een verticaal meetlint.
De categorieën en concepten zijn een product van ons secundaire systeem dat eindeloos verhalen construeert in een poging zelfs het meest complexe terug te brengen tot iets waar we met een automatisme op kunnen reageren. Dat lijkt een beetje op hol geslagen. De drie regels houden onze perceptie gevangen, en dicteren onze ervaringen en keuzes.
Onder die sluier ligt de realiteit. Daarin bestaan geen absoluten. Alles is relationeel, context gebonden en gradueel. Een jongen is niet honderd procent masculien omdat hij een penis heeft. Niemand belichaamt volledig de categorieën masculien of feminien. Die categorieën zijn abstracties, geen natuurwetten. Toch dwingen vereenvoudiging en tegenstelling ons om ze als harde grenzen te behandelen. En zodra de regel van plus en min zich eraan hecht, ontstaat er niet alleen onderscheid, maar ook waardering. Dan worden mensen die niet netjes in de tegenstelling passen problematisch gemaakt door de taal zelf. Ouders worstelen om uit te leggen dat iemand een meisje is en toch een penis heeft, niet omdat de werkelijkheid dat niet toelaat, maar omdat onze categorieën dat niet toelaten. Niet alleen intersekse personen, maar ook transgenders en mensen met een niet-binaire identiteit lopen vast in een systeem dat verschil eerst vereenvoudigt, dan polariseert en vervolgens negatief waardeert.
Maar dit mechanisme beperkt zich niet tot gender. Het is structureel. En zo basaal als onze warm-koud perceptie. Ook warm en koud zijn geen absolute tegenstellingen. Wanneer in september de temperatuur daalt naar vijftien graden, ervaren we dat als koud en trekken we een jas aan. Datzelfde getal in mei voelt warm en bevrijdend. De fysieke waarde is identiek, de ervaring niet. Temperatuur is altijd relationeel: afhankelijk van seizoen, lichaam, verwachting en context. Voor planten geldt dat evenzeer. De ideale temperatuur verschilt per soort en zelfs per groeifase: wat in de bloei gunstig is, kan in de rustperiode schadelijk zijn. Warm en koud bestaan dus niet als vaste entiteiten, maar als dynamische verhoudingen. Toch conceptualiseren we ze als tegengestelde blokken. Dat is geen beschrijving van de werkelijkheid, maar het gevolg van onze drie regels: we strippen context, plaatsen in tegenstelling en voegen waarde toe.
En dit is nog maar het begin van de ellende. Als we eigenschappen van categorieën vrij kunnen projecteren op andere categorieën kan je echt verhalen verzinnen die niets met de werkelijkheid te maken hebben. Zo projecteren we fysieke eigenschappen als lengte, hardheid, kleur, temperatuur, ook op categorieën uit de emotionele dimensie. De geboorte is het begin, de dood het eind. Een goede coach is hard en niet zacht. Iemand met een lichte huidskleur is goed, iemand met een donkere slecht…Kinderen hebben behoefte aan warmte van hun ouders, er is geen plaats voor kilheid. Gelijkheid is eerlijk, ongelijkheid oneerlijk. De winnaar is de beste, beter dan de verliezer. Controle is een teken van succes, gebrek aan controle van mislukking. Hetzelfde is goed, anders is slecht.
De realiteit achter de sluier
Hoe relatief betekenis is en hoe afhankelijk het is van persoon, plek, moment, en de rest van de context kunnen we illustreren aan de hand van het woord paard.
Stel een zevenjarig meisje voor en haar paard. Ze rijdt er elke dag op, ze droomt erover, ze is er dol op. Stel nu een slager voor, die vijftig paarden per dag slacht. De meesten van ons denken dat de betekenis van het woord 'paard' hetzelfde blijft. Het is nog steeds dat wezen met vier poten op hoeven. Maar wat het betekent, is voor iedereen anders. En het gekke is: wat het volgens de definitie betekent, betekent het voor niemand.
Het zevenjarige meisje geeft betekenis aan het woord paard met behulp van een andere projectie dan de slager: 'Mijn paard is mijn vriend.' Met deze projectie leent het concept paard betekenis van het concept vriend. De betekenis die wordt geprojecteerd is gebaseerd op de intense interactie, het vertrouwen en de wederzijdse afhankelijkheid die het meisje voelt. Het is een adequate projectie voor zover het de relatie tussen de twee beschrijft. De projectie van het concept 'vriend' impliceert echter ook menselijke associaties, iets wat het paard duidelijk niet is. Logeerpartijtjes houd je niet met je paard. En een paard blijft met al zijn kracht een levensgevaarlijk dier, iets wat je neigt te vergeten als je aan een vriend denkt.
De paardenslager gebruikt voor het paard de projectie 'het paard is geld'. De projectie van het concept geld benadrukt de monetaire waarde van het paard. De slager zal bij het concept paard niet vaak denken aan intense interactie, vertrouwen of wederzijdse afhankelijkheid. Het paard wordt zo efficiënt mogelijk gehuisvest, gevoerd en geslacht. Een bundel geld kam je tenslotte ook niet.
De conclusie is niet dat abstracte taal niets met de werkelijkheid te maken heeft, maar dat zij haar niet rechtstreeks afbeeldt. Wat wij communiceren heeft minder te maken met een innerlijke essentie en meer met gedeeld gebruik. Twee tuinders die dagelijks over bomen spreken, delen een praktijk, een ervaring, een context. Hun woord “boom” is verankerd in gebruik. Dat is wat Wittgenstein zag. In zijn beroemde gedachte-experiment stelt hij zich voor dat iedereen een doos heeft met iets erin dat hij “kever” noemt, maar niemand kan in de doos van de ander kijken. Wat erin zit, of zelfs of er iets in zit, is irrelevant voor het functioneren van het woord. De betekenis zit niet in het verborgen object, maar in het gebruik binnen het taalspel. Het woord werkt niet omdat het een essentie aanwijst, maar omdat we samen geleerd hebben hoe het te gebruiken.
We kunnen dus best, mits voorzichtig en met voldoende relativering, taal blijven gebruiken voor communicatie. Tegelijkertijd doen we er goed aan om andere dingen niet te willen vangen in concepten. Sterker nog, de echt belangrijke fenomenen worden vaak verhuld door de sluier van concepten. De realiteit, al is die niet te vangen in iets vasts of objectiefs, als we hem willen benaderen zullen we achter die sluier moeten zoeken. De grootste wetenschappelijke doorbraken van de afgelopen eeuwen waren dan ook stuk voor stuk doorbraken die mogelijk werden door het loslaten van de betekenis zoals het secundaire systeem die presenteerde. Het vereiste een kijkje achter de sluier. De belangrijkste wetenschappers uit onze geschiedenis wisten waar de winst te halen viel.
Charles Darwin doorbrak het woord 'soort'. Voor zijn evolutietheorie was de soort een categorie met essentie. Een hond is een hond, een kat is een kat, dat is wat het woord suggereert, iets dat is wat het is. Maar Darwin keek naar variatie. Niet naar 'de soort hond', maar naar populaties die langzaam verschuiven. Terug tot een voorvader die evenveel hond als kat was. Hij brak met het essentialisme dat door Aristoteles en later in het christendom was verankerd. Hij verving het zelfstandig naamwoord door een proces. De taal zei: dit is een soort. Darwin zei: er is alleen variatie in de tijd.
Albert Einstein doorbrak de woorden 'ruimte' en 'tijd'. Newton sprak over ruimte en tijd als vaste containers. Ze zijn. Ruimte is de lege ruimte waarin dingen bestaan. Tijd is de stroom waarin gebeurtenissen plaatsvinden. Einstein liet zien dat ruimte en tijd geen dingen zijn, maar relaties tussen gebeurtenissen. Tijd is afhankelijk van snelheid en zwaartekracht. Lengte krimpt. Gelijktijdigheid verdwijnt. De taal van absolute toestanden stortte in.
Niels Bohr en Werner Heisenberg doorbraken het woord 'deeltje'. De klassieke fysica sprak over het deeltje als stabiel object, een elektron is een klein bolletje met een positie en een snelheid. Bohr en Heisenberg ontdekten dat het woord zelf misleidend was. Een elektron is geen klein bolletje met vaste eigenschappen. Het is een waarschijnlijkheidsfunctie. Een relatie tussen meting en systeem. Heisenberg zei het letterlijk: de klassieke begrippen zijn niet langer toepasbaar op de kwantumwereld. Het probleem zat niet in de wereld, maar in de taal die we gebruikten.
Nietzsche doorbrak het woord 'ik'. Hij zag dat grammatica ons dwingt om een 'doener' achter elke daad te veronderstellen. 'De bliksem bliksemt' — grammatica suggereert een entiteit die handelt. Maar misschien is er alleen bliksemen. Hij doorzag dat het 'ik' een grammaticale constructie is.
Gregory Bateson doorbrak het woord 'organisme'. Hij stelde: The unit of survival is not the organism, but organism plus environment. Dat is een directe aanval op het zelfstandig naamwoord 'organisme' als zelfstandig object. Hij verving dingen door patronen van verschil.
Ilya Prigogine doorbrak het woord 'evenwicht'. De klassieke fysica dacht in stabiele toestanden. Prigogine liet zien dat orde ontstaat uit instabiliteit. Structuren zijn tijdelijke knopen in stroming. Geen vaste zijnstoestand, maar dissipatieve processen.
Candace Pert doorbrak de lokalisatie van emotie. Emotie werd gezien als iets dat in het brein is. Pert liet zien dat neuropeptiden door het hele lichaam werken. Emotie is een netwerktoestand, geen plaats.
Humberto Maturana en Francisco Varela doorbraken objectieve waarneming. Ze toonden aan dat waarneming geen passieve registratie van objecten is, maar een autopoïetisch proces. Er is geen 'objectieve wereld' los van de waarnemer. Er is structurele koppeling.
Thomas Kuhn doorbrak lineaire waarheid. Hij liet zien dat wetenschap niet simpelweg feiten opstapelt. Ze verschuift wanneer paradigma's veranderen. En een paradigma is in essentie een systeem van begrippen.
Steeds opnieuw dezelfde ontdekking. Vanuit biologie, fysica, filosofie, systeemdenken, neurologie. De taal klopt niet. De categorie bestaat niet. De grens is verzonnen.
Alle andere dingen leven wel in dezelfde realiteit en begrijpen elkaar. Zij maken gebruik van andere communicatie dan wij. Als honden het oneens zijn met elkaar en vechten, is er nooit miscommunicatie. De strijd gaat nooit over iets abstracts dat verzonnen is, zoals religie of het verwerven van rijkdom. Ze vechten alleen over eten als ze honger hebben, verdedigen alleen hun territorium als ze zich willen voortplanten. Dat is allemaal echt. En die communicatie is ook niet simpel of achterlijk. Is er iets dat meer verenigd, verbonden en communicatief is dan een bijenkorf of een mierenhoop? De chemische uitwisseling werkt veel beter dan de uitwisseling door middel van abstracte taal. En dat weten we ook allemaal. Goede seks zegt zoveel meer dan duizend woorden ooit zouden kunnen.
Hoofdstuk 13: Leven in een fictie
Een paar jaar geleden zag ik 'Grave of the Fireflies', een animatiefilm van Ghibli Studios. Het is het verhaal van een vijfjarig Japans meisje Setsuko en haar oudere broer Seita, die na de Amerikaanse bombardementen op hun stad alleen achterblijven. Ze proberen te overleven. Ze halen het niet. Het was de eerste keer in jaren dat ik moest huilen bij een film.
Mijn tranen kwamen niet door de oorlogsbeelden of stervende mensen. Ik kan Saving Private Ryan tien keer kijken zonder iets te voelen. Maar dit meesterwerk deed iets anders. Voordat ik ging slapen vroeg ik me af waarom. Na een tijdje wist ik het. In deze film is er geen slechterik. Geen vijand. Het bombardement aan het begin van de film wordt geframed vanuit de naïviteit van de kinderen, die de zware Amerikaanse bommenwerpers in de verte aanzagen voor een zwerm vuurvliegjes. De dader is onzichtbaar, de oorlog wordt nergens veroordeeld. Er is alleen een verhaal over een jongen en zijn kleine zusje, en tegenslag op tegenslag.
In geval van tegenslag gaan we instinctief op zoek naar een vijand. Dat is hoe we omgaan met een ingrijpende complexe ervaring. We proberen er chocola van te maken. En dat doen we door, je raadt het al, de ervaring te vereenvoudigen, te plaatsen in een tegenstelling, en … er boos op te worden. Zonder de tegenstelling vriend-vijand, of goed-kwaad, is het lastig boos te worden. En zonder die boosheid of verontwaardiging, kunnen we een situatie ineens niet meer vereenvoudigen. En zo verschijnt de oneindig complexiteit van zo’n verhaal aan ons. Zonder de tegenstelling verliest ons secundaire systeem haar instrument. Ik kon de schuld nergens parkeren. Ik kon niet zoeken naar gerechtigheid. Ik kon alleen maar kijken en overstroomd worden door mijn emotie. Mijn echte ervaring van de realiteit.
En die kan dan ineens confronterend zijn. Wij, de geallieerden, waren toch de goede kant in de Tweede Wereldoorlog? We vochten tegen de Japanse en Duitse agressors om de wereld te redden van tirannie? Hoe kan het dat we twee nucleaire wapens hebben geworpen op twee steden met een bevolking van miljoenen? Wat dachten we toen? Welke woorden werden er gebruikt aan de tafel waar deze beslissingen werden genomen? Werd er gesproken over een vijfjarig meisje dat van de honger zou sterven, en een tienerjongen die zou sterven van schuldgevoel omdat hij haar niet kon redden?
Nee, dat werd er niet. Ze werden wel genoemd, maar verborgen in een zin als:“Sir, we verwachten tussen de 10.000 en 100.000 burgerdoden en 5.000 van onze jongens. Is dat een acceptabel aantal slachtoffers?”
…Acceptabel aantal slachtoffers…
Wat voor concept is dat eigenlijk?
Het zijn niet de woorden die je zou gebruiken wanneer je praat over een vijfjarig meisje dat van de honger sterft, lijkt mij. Ik daag iedereen uit om Grave of the Fireflies te kijken en daarna die woorden nog eens te herhalen zonder een schuldige blik.
Het feit is dat menselijke gruweldaden alleen kunnen worden gepleegd doordat we ze maskeren met concepten. Piloten krijgen een (1) ‘doelwit’ toegewezen, bereiken (2) ‘vijandelijk territorium’, vliegen laag om (3) ‘detectie door de vijand’ te vermijden, zoeken naar een (4) ‘directe treffer’ en (5) ‘nemen primaire doelen eerst uit’, en (6) “mannen, we proberen ze te raken waar het het meeste pijn doet.” Zo wordt een bombardement waargenomen binnen de tegenstelling van het conflict, het jij versus de ander, vriend versus vijand.
Wanneer we in oorlog zijn, praten we niet over liefde, dromen of lachen. We praten over vijanden, we praten over verliezen, we praten over een onvermijdelijk gevecht met degene die onze manier van leven bedreigt. We nemen het discours van militaire strategie aan om de werkelijkheid te vereenvoudigen. Wanneer je vijand geen gezicht heeft, geen kinderen, geen liefhebbende vrouw of zorgzame moeder, kan hij worden gereduceerd tot een ‘vijand’.
Mijn stelling hier is dat de tegenstelling die wij gebruiken om een ervaring te begrijpen bepaalt hoe wij de situatie waarnemen en daardoor ook hoe wij handelen. Wanneer iedere soldaat die een geweer draagt, een bommenwerper bestuurt of een raket afvuurt zijn doelwit niet zou zien als een ‘vijand’, maar als een vader van kinderen, een zoon van een moeder, een geliefde van een vrouw, dan zouden er misschien minder knoppen worden ingedrukt, minder bommen worden gegooid en minder kogels worden afgevuurd.
Hiroshima was geen uitzondering. Het is een voorbeeld van iets wat we overal doen, de hele tijd, op elke schaal. Onze menselijke wereld zit vol monstruositeiten die voortkomen uit de tegenstellingen van onze taal.
In loodsen van tweehonderd meter lang houden we vijftigduizend kippen op een betonnen vloer. De ammoniaklucht is niet te harden, hun botten kunnen de spiergroei niet bijhouden. Die kippen gaan van kuiken tot op je bord, van een ei tot twee kilo in zes weken. Twee kilo smakeloos pezig vlees. In de stal muteert de vogelgriep naar agressieve varianten, en miljoenen kippen worden tegelijkertijd geruimd. Allemaal niet omdat we wreed zijn. Maar omdat een dier in onze tegenstellingen staat tegenover mens. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid tot volledige objectivering. Een supermarkt of een boer kan de kip reduceren tot de waarde in Euro’s. Over honderdduizend jaar zitten kippenbotjes in het sediment als de enige fossiele herinnering aan ons tijdperk.
We doen dit met alles. Hygiëne is goed, onhygiënisch slecht. We douchen elke ochtend, gebruiken deodorant, spuiten parfum over de chemische informatie die ons lichaam afgeeft. Eén op de vijf kinderen in het Westen heeft een allergie, immuunsystemen die vechten tegen de afwezigheid van wat wij viezigheid noemen. Normaal en abnormaal is ook zo’n lekkere. Een kind dat niet acht uur per dag stil achter een tafel kan zitten krijgt een diagnose en een recept. In twintig jaar is het Ritalin gebruik bij kinderen met vijfhonderd procent gestegen, niet omdat er vijf keer zoveel kinderen zijn met een afwijkend brein, maar omdat de categorie normaal vijf keer strakker is geworden. Ouderen produceren niets meer, dus verdwijnen ze in de categorie onproductief, het tegengestelde van productief, een voorwaarde waaraan tegenwoordig iedereen moet voldoen. Ze sterven gemiddeld drie jaar eerder in een verpleeghuis dan thuis, omringd door mensen die hen niet kennen.
De leegte van de sluier haalt ons nu in. We zijn te ver gegaan. Eén op de vijf Nederlanders krijgt een depressie, meer dan de helft van de studenten gebruikt cocaïne of xtc, niet omdat ze zwak zijn maar omdat de kloof tussen de fictie en de werkelijkheid ondraaglijk is geworden.
En dan komt hier de vraag die beantwoord moet worden. Als industriële beschaving bestaan we tweehonderd jaar. In die tweehonderd jaar hebben we de CO2-concentratie in de atmosfeer met vijftig procent verhoogd. Zeventig procent van alle wilde zoogdieren is verdwenen. De helft van alle koraalriffen is dood. De kwaliteit van het sperma van mannen in het Westen is in vijftig jaar met zestig procent gedaald. De Aboriginal heeft zestigduizend jaar de rijkste biosfeer ter wereld onderhouden zonder haar te vernietigen. Wij doen er tweehonderd over om haar onbewoonbaar te maken. En wij noemen onszelf beschaafd.
Het schokkende is niet dat mensen in staat zijn tot zulke gruwelen. Het schokkende is hoe weinig ervoor nodig is. Één paar woorden. Één paar categorieën. En de chemische realiteit verdwijnt uit het zicht, alsof hij niet bestaat.
En als dat woord vijand zo weinig nodig heeft om honderdduizend mensen te verdampen, en het woord dier zo weinig nodig heeft om zeventig miljard levende wezens per jaar in een machine te stoppen, en het woord vooruitgang zo weinig nodig heeft om de planeet leeg te trekken, wat zegt dat dan over de staat van onze soort? Zijn we dan echt the last Age of Man?
Epiloog: Dagboek van een gelukkige ruiker
Zal onze cultuur veranderen door meer aandacht aan geur te besteden? Hoogstwaarschijnlijk wel. Eerst beetje bij beetje. Je zult het merken in kleine dingen in je dagelijks leven. Je zult merken dat je eten beter gaat smaken. En dan zal je merken dat je eten belangrijker gaat vinden. Je zult er meer tijd voor nemen, zult langer met je familie aan tafel blijven zitten. Er zal meer gesproken worden en de relaties binnen het gezin zullen hechter worden. Je kind zal ‘s avonds dichter tegen je aankruipen op de bank, en zonder dat je het doorhebt zal jij steeds vaker aan hem ruiken. Je zult merken dat je seksleven gaat veranderen. De geuren waarvoor je eerst je neus optrok, zullen aantrekkelijker worden. Ze zullen je gaan opwinden, en op een gegeven moment zal je merken dat je vrijer wordt tussen de lakens. Taboes zullen verdwijnen, het spel kan beginnen. Je zult je partner beter aanvoelen, de scheidslijn tussen jullie beiden zal vervagen, je zult beter worden in bed. En met de seksuele vooruitgang zal ook de band versterken. Je zult je gaan storen aan de parfums van je vrouw. En je zult je ook vaker aangetrokken voelen tot anderen. En er zijn goede redenen om dat ook te verkennen. Uiteindelijk wil je met je beste chemische match zijn.
Je zult ook wat vaker stil blijven staan. To stop and smell the roses. Op weg naar werk, bij een mooie zonsopgang, zal je kort denken: schijt aan die tien minuten. En je zult met je pantalon gaan zitten op een natte steen naast de weg. Je zult gaan kijken naar de dauw op het weiland, en het brekende zonlicht op de boomtakken op je in laten werken. Je zult er een foto van maken en die naar je vrouw sturen. De geur van gemaaid gras zal ervoor zorgen dat je in euforische staat op kantoor komt, en een klein beetje vrijer aan je werk begint. Daar zal de kop koffie lekkerder ruiken dan de dag ervoor. Je zal je zo goed voelen dat je wél dat gesprekje aangaat met je collega, en jullie nieuwe project zal net iets soepeler verlopen. Je zult hem vertellen waarom je pantalon nat is bij je kont, en hij zal het binnenkort ook eens proberen. Iets zegt je dat je je eten eens niet moet halen bij een van de grote supers van Nederland. Je gaat naar een van de laatste slagers uit de stad. Het zal je opvallen dat die winkel stinkt. Of stinkt? Stinken doet het niet. Je was er alleen maar even van geschrokken. Stiekem voel je een behoefte in je opkomen om dat stuk chateaubriand tegen je neus te drukken. Bij de gedachte voel je speeksel in je mond lopen. Je hebt zin om over het vlees te kwijlen en erin te bijten. Naast de slager zit een wijnhandel. Het lijkt opeens onmogelijk om niet aan de rode wijn te beginnen. Je koopt een veel te dure, en het kan je geen reet schelen. Thuis gaat de fles meteen open.
Je kan je nog net aan de etiquette houden en laat de wijn heel even ademen. De eerste slok brengt je in een andere wereld. Dit voelt niet als Nederland. Je lijf en ziel verlangen naar andere dingen. Naar dat stuk rood vlees. Naar de dijen van je vrouw. Naar nog een slok. En je zet de fles aan je mond. De alcohol begint zijn werk te doen en je laat de afwas op het aanrecht staan. Je pakt je notitieblokje uit de kast, om je gedachten op papier te zetten. Je faalt jammerlijk. De woorden lijken vierkant en afgebakend, terwijl je het idee hebt dat de betekenis er ergens tussenin ligt. Muziek dan. Je neigt naar iets nostalgisch. Iets dat je doet denken aan roeriger periodes. De jaren negentig. Maar nee. Je moet vooruit. Je zet de playlist van je zoon op. Gelukkig heeft hij smaak. Nieuwe dingen, nieuwe ervaringen. Je wil gaan liften naar Parijs. Maar morgen moet je toch weer naar kantoor?
Nog maar een slok. Kids, mama en papa gaan even naar boven. Wat doen dan? Een potje vrijen. Wild en onstuimig, het beest in je raast door je aderen. Je voelt de hoofdpijn beginnen. Niet door de drank, het zijn de remmen die schuren. Tijd om los te laten. Een uitspatting van een paar uurtjes. Morgen word je anders wakker.
Je zit met je kinderen aan het ontbijt. Ze hebben een proefwerk vandaag. Proefwerken zijn niet belangrijk, hoor je jezelf zeggen. Vind je dat onderwerp leuk? Wil je er zelf meer van weten? Wil je er goed in worden? Waarom? Om beter te worden dan de rest? Nee? Omdat je het leuk vindt. Top. Harder leren dan. Je kinderen willen kokosbrood. Je hoort je vrouw zeggen: ze hebben al zoet op. Morgen weer. Maar morgen bestaat niet. Je moet leren luisteren naar jezelf. En je moet het laten gaan. Morgen is er misschien geen kokosbrood. Het staat er nu. Eten. En niet omdat je verwend bent. Maar omdat het leven je af en toe verwent, en af en toe niet. En niet janken als het een keer niet kan. De kokos ruikt lekker, je wordt er blij van. Je neemt zelf ook een hap.
Op de fiets overdenk je je werk. Je bent verkouden. Je ruikt niks. Je voelt je vlak. Een snotneus, een godverdomde snotneus. De weer-app voorspelt 14 dagen regen. Meedogenloos. Je herinnert je de zomervakantie van vorig jaar in Puglia. Je moet daarnaartoe. Op kantoor boek je meteen en appt je vrouw de vluchtgegevens. Ze slikt haar ‘kan dat wel’ in en vraagt zich af of je een midlifecrisis hebt.
In de buurt beginnen ze te roddelen. ‘Zijn fiets staat er altijd nog als ik ‘s ochtends weg rijd. Hij heeft de laatste tijd zo’n rare hoed op. En ik hoorde dat zijn kinderen in de klas zeiden dat morgen niet bestaat. En dronk hij nou laatst bij de buurtborrel uit de wijnfles?’ De scheve ogen hebben even gestoken. Maar je zag de eerste buurmannen laatst ook al met een hoed op. En de afkeur bij de buurvrouwen begint om te slaan in interesse. ‘Wel gek, maar ook wel interessant, hoor je ze fluisteren. Wat voor werk zou hij doen? En heb jij ook gehoord dat hij de deur opendoet in zijn blootje?’ Je besluit dat het tijd is om te vertrekken. Er valt hier niks te halen, alleen maar armoede, de lage landen van de emotie.
Je ontmoet nieuwe mensen. Gek genoeg allemaal creatieve mensen. De helft heeft zijn middelbare school niet afgemaakt, maar ze verdienen allemaal meer dan een ton. En gek genoeg functioneren ze ook prima. En ze kunnen ook goed ruiken. Ze hebben een mooie vrouw, een ov-kaart en een surfplank. Ze lachen vaak, en klagen nooit. Ze geven alles, maar vreten ook je koelkast leeg. Morgen zijn de golven goed in Wijk. Moet niemand werken? Hoe regel je dat? Gewoon. Zeggen. Aha…
Je raakt langzaamaan je ballast kwijt. Je verkoopt je auto, je reed er toch nooit mee. Alleen om te surfen. En daarom woon je nu bij het strand. De kledingkast wordt leger en leger, alles gaat eruit via Marktplaats of Vinted. De tv is er al lang uit. Je kijkt nog twee keer per week een film met vrienden op een beamer die jullie samen hebben gekocht. Je huis is kleiner dan je vorige, en alles is zelf gemaakt. Een schilderij van je zoon, een surfplank aan de muur. Geen banken om op te hangen, want je bent toch altijd bezig.
Je merkt dat je energie continu hoog is. Terwijl je de cola hebt ingeruild voor water. Eten is belangrijker dan ooit, maar waar het vandaan komt wil je weten. Je slaapt tussen de middag een kwartiertje, en om zeven uur nog eens kort. Maar je wordt ook wakker bij zonsopgang met een ongelooflijke zin in de dag. Iedereen trekt zich op aan je levenslust en vraagt je hoe je dat doet.
En dan vertel je ze: ‘Ik ruik. Ik heb weer leren ruiken, en heb mezelf teruggevonden. Onder dikke lagen bagger.’
Addendum: De handleiding om achter de sluier te geraken
‘Jullie, beklagenswaardig eendagsgeslacht, kinderen van toeval en kommer, waarom dwing je me te zeggen wat je veel beter niet kunt horen? Het allerbeste is voor jou totaal onbereikbaar, namelijk niet geboren te zijn, niet te zijn, niets te zijn. Het op één na beste echter is — zo spoedig mogelijk te sterven.’
In de ‘Geboorte van de tragedie’ vertelt Nietzsche het verhaal over koning Midas die na veel pogingen de oude sater Silenus heeft gevangen om hem te vragen waartoe de mensheid op aarde is. De sater wilde liever niks zeggen. Maar na enig aandringen verklapte hij dat er geen doel is voor de mensheid. Geen doel, geen zingeving, geen betekenis. En volgens de sater was er niets verderfelijker dan het nastreven en geloven in valse zingeving. Het zou het beste zijn als de mens zijn eigen toevalligheid en nietigheid aanvaardde. Maar omdat hij dat niet kon, zou het maar beter zijn als hij stierf.
Een groot deel van ons leven proberen we vragen te beantwoorden, die we onszelf niet zouden moeten stellen. De grote onderwerpen van het leven: Wie ben ik? Wat is goed? Wat is belangrijk? Wat is de zin van alles?
We besteden veel meer tijd aan het beantwoorden van de vragen dan dat we ons afvragen waar die vragen vandaan komen. Dat lijkt alsof je een vis vraagt hoe het voelt om in water te zwemmen. We zijn zo gewend aan de concepten van onze taal dat we niet meer merken dat we erin leven. Het is de lucht die we inademen, het medium waarin we bewegen. De vis zwemt in het water zonder te weten dat het water is. Wij denken in taal zonder te weten dat het taal is. Dat is de gevangenis. Niet dat we taal hebben. Maar dat we vergeten zijn dat we erdoorheen moeten kijken.
De concepten die ons leven sturen voel echt en belangrijk. We vechten er oorlogen voor, we weiden er ons hele leven aan. We zijn er als de dood voor. Concepten kunnen leiden tot intense verlangens en overtuigingen die ons leven volledig domineren, ondanks het feit dat ze zijn gebaseerd op een fictie, een misleidend beeld van de werkelijkheid.
Dit geldt ook, of misschien wel juist, voor de concepten die het fundament van onze cultuur vormen. Concepten waar we diep in geloven, waarvan het taboe of immoreel is om ze te bevragen. Zoals de concepten ik, identiteit, God, tijd, eerlijkheid, eigendom, huwelijk, dood, vriendschap, gelijkheid, vrijheid, vooruitgang.
Ze sturen ons bestaan en doen ons geloven dat we belangrijk zijn, dat onze levens iets betekenen. In onze cultuur is het idee van gewoon zijn, zonder oorzaak of doel, bijna ondraaglijk. Toch zijn die concepten niet vanzelfsprekend. Sterker nog, ze vervormen onze realiteit. En dat kan niet langer zo doorgaan.
Tijd om ze tegen het licht te houden. Om door de sluier heen te prikken. Gelukkig kunnen we dat nu. Als je eenmaal ziet dat je eigen ervaring in drie stappen teruggebracht tot een bruut concept kan je het niet meer onzien.
De eerste stap: bevrijd je van de plus en de min. Het maakt niet uit hoe hard je erin gelooft. Dat is makkelijker dan je denkt. In principe vereist alleen een levensbedreigende situatie een plus of een min. Alle andere ervaringen kunnen echt wel even wachten met een heftige emotionele respons.
De tweede stap: ontdek de tegenstelling. In welke abstracte categorie hebben we onze ervaring gepropt? Dat is meestal niet zo ingewikkeld om vast te stellen. Vraag jezelf dan af, zijn dit echt absoluten op een verticale lijn?
En dan tenslotte, als je stap een en twee hebt genomen, zou, als het goed is, een hele wereld zichtbaar moeten worden. Een die je niet moet proberen te begrijpen in nieuwe woorden, maar eerst maar eens goed moet laten bezinken. Voel maar eens, wat daar eigenlijk aan de hand is. Adem een keer diep in door je neus, en probeer te ruiken wat we van dat andere vinden.
Ik eindig dit boek met de deconstructie van de belangrijkste concepten van onze cultuur. Ik kleed ze uit tot de naakte werkelijkheid zichtbaar wordt. In de hoop dat we daardoor de wereld die we maken een beetje beter kunnen laten kloppen. Zodat dit niet de final Age of Man wordt.
In het hart van onze perceptie staat het woord individu. Dat is niet vreemd. We weten inmiddels hoe het verlies van geur ertoe heeft geleid dat we ons geen onderdeel meer voelden van de moleculaire soep. We werden toeschouwer van de werkelijkheid, niet langer deelnemer. Ons secundaire systeem maakte daar een passend model in de vorm van een tegenstelling bij. Wij aan de ene kant, het subject of het individu, en de rest van de wereld als het andere, de objecten. En tenslotte goot onze taal dat in een betekenisjasje: het individu.
# Het individu
Centraal in onze westerse cultuur staat het concept individu. Het is misschien wel het meest gevierde concept dat we hebben.
Het concept opent de deur voor vrije wil: het idee dat je als onafhankelijk subject, zonder invloeden van buitenaf, tot een beslissing of keuze kan komen.
Het maakt democratie mogelijk, het idee dat niet de groep, niet één familie of één stam, maar dat mensen als onafhankelijke individu zelf mogen meebeslissen.
De minimumrechten van zo’n individu worden gegarandeerd door universele mensenrechten.
Het suggereert bewustzijn, het idee dat er een 'ik' is dat ervaart.
Het maakt individuele verantwoordelijkheid mogelijk, de gedachte dat je iemand kan afrekenen op zijn of haar gedrag.
Het maakt consistentie mogelijk, de verwachting dat iemand morgen dezelfde is als vandaag.
Het maakt eigendom mogelijk, dit is van mij, niet van jou.
Het maakt carrière mogelijk, de reis van het individu omhoog.
Het maakt zelfontplooiing mogelijk, het individu dat zichzelf moet worden.
Zonder het concept individu stort onze hele cultuur in elkaar.
En dus vieren we het. Kinderen krijgen applaus als ze iets zelfstandig kunnen. Hun fles leegdrinken, hun billen afvegen, hun schooltas inpakken, alleen naar school. Bij falen krijgen ze de teleurgestelde ouder: kun je dat nu nog niet alleen? Scholen toetsen individuele prestaties, niet samenwerking. We stellen kinderen krijgen uit voor carrière, eerst het individu ontplooien. We blijven langer alleen, eerst onszelf leren kennen. 'Ken jezelf' is het hoogste gebod. 'Wees jezelf' is het grootste doel. Afhankelijkheid is een diagnose geworden. Hulp vragen is zwakte. Wie niet op eigen benen kan staan, faalt.
Het woord individu komt uit het Latijn. 'In' betekent niet. De rest betekent deelbaar. Het is hetzelfde als het Griekse 'atoom', het kleinst mogelijke, niet verder te delen deel. Het concept is geformuleerd als tegenstelling in absoluten: individu versus groep, ondeelbaar versus deelbaar, zelfstandig versus afhankelijk.
Het werkwoord 'zijn' helpt bij het fixeren van die illusie. Ik *ben* een individu. Jij *bent* een individu. Die grammaticale constructie veronderstelt een afbakening, het begint en eindigt ergens. Een persoon *is* niet de groep, en ook niet een andere persoon. Het veronderstelt ook continuïteit: Kees in Gouda *is* dezelfde als Kees in Alkmaar. Het individu bestaat onafhankelijk van tijd en plaats.
Dat passen we overal toe, ook in het rechtssysteem. Een persoon kan drie jaar na een diefstal nog worden veroordeeld, want het individu dat nu voor de rechter staat *is* hetzelfde individu dat toen stal. Dezelfde logica maakt carrières mogelijk, diploma's geldig, contracten bindend. Zonder de illusie van het individu functioneert niets.
Maar in de chemische werkelijkheid bestaan geen individuen. Wat we individu noemen is een continue manifestatie en transformatie van moleculaire verbindingen. De realiteit is een ononderbroken stroom moleculen die zich losmaken en verbinden in een eindeloze dans. Dat is op het meest fundamentele niveau. Maar we ervaren het ook gewoon in onze levens. Waar begint het ene en eindigt het andere? Kan je een dief die spijt heeft betuigd en gerehabiliteerd is, na 3 jaar alsnog straffen? Is dat dezelfde individu? Is de lucht in ons lichaam onderdeel van ons individu? Een deel van die lucht nemen we op in ons bloed. Is het dan onderdeel van het individu? Het voedsel dat we eten wordt ons weefsel. De bacteriën in onze darmen, zijn die van ons of niet? Elke zeven jaar zijn vrijwel alle cellen in ons lichaam vervangen. Het lichaam dat hier nu zit is moleculair gezien niet hetzelfde lichaam als zeven jaar geleden.
We zoeken ons hele leven verbondenheid. We gaan relaties aan, we versmelten delen van onszelf met anderen. Door de chemische reacties met een ander ervaar je dat 'de ander' geen afgescheiden ding is, maar deel van dezelfde moleculensoep. En een deel van jou. Waar is het individu?
De emotionele werkelijkheid bevestigt dit. Niemand is onafhankelijk. We zijn afhankelijk van zuurstof, van water, van voedsel, van aanraking, van erkenning, van liefde. Pasgeboren baby's die niet worden aangeraakt stoppen met groeien, ze geven de hoop op. Eenzame ouderen sterven eerder. Solitaire opsluiting is een van de zwaarste straffen die we kennen, omdat het de verbinding verbreekt die we nodig hebben om mens te zijn. Onafhankelijkheid is niet iets waar we naar streven. Het is iets waar we aan doodgaan.
Het woord 'individu' stript de verbondenheid weg. Het reduceert de eindeloze moleculaire dans tot een geïsoleerde entiteit. Het neemt de relatie weg en laat alleen het subject over. Vervolgens projecteren we er waardeoordelen op: zelfstandig is goed, afhankelijk is slecht. Individueel is sterk, collectief is zwak. En dan bouwen we een hele cultuur op die illusie.
Het rechtssysteem kan alleen individuen veroordelen. De arbeidsmarkt beoordeelt individuele cv's, individuele prestaties. Sociale media draaien om individuele profielen, persoonlijke branding, het unieke zelf dat zichzelf moet verkopen. Therapie richt zich op het individu dat aan zichzelf moet werken. De zelfhulpindustrie belooft dat je alles kunt bereiken als je maar hard genoeg aan jezelf werkt. En ondertussen voelen we ons eenzamer dan ooit.
Er is een eenzaamheidsepidemie in het Westen. Er zijn burn-outs, omdat het individu alles zelf moet doen. Er zijn kinderen die niet leren samenwerken, omdat ze alleen op individuele prestaties worden beoordeeld. Er zijn ouderen die alleen sterven, omdat hun kinderen individuele levens leiden in andere steden.
Het concept botst continu met de werkelijkheid. Maar in plaats van het concept te herzien, proberen we de werkelijkheid aan te passen. We bouwen nog meer systemen rond het individu. We schrijven nog meer wetten voor individuen. We ontwikkelen nog meer therapieën voor individuen die worstelen met hun individualiteit.
De onafhankelijkheid die we nastreven is een illusie. Het is egoïsme met een moreel sausje. Het is de ultieme consequentie van een dier dat niet meer deel uitmaakt van iets groters, sinds het niet meer kan ruiken.
In de perceptie van de hond bestaan geen individuen. Als onze neus het nog goed zou doen, zou het concept individu ook bij ons niet bestaan. We zouden moleculen ervaren, geen afgescheiden zelven. We zouden de verbinding voelen in plaats van de scheiding te denken.
## Eigendom
Eigendom is alleen mogelijk als er eerst een individu is. Dit is van mij vereist een 'mij'. Zonder het concept individu is er niemand om iets te bezitten. Iets wat van mij is, en daarom niet van de ander.
En we vieren het. Huizenbezit is het grote levensdoel. Op de woningmarkt komen, een hypotheek afsluiten, de sleutel ophalen, het zijn rituelen van volwassenheid. De eigen auto. De eigen spaarrekening. De eigen pensioenvoorziening. Eigendom is zekerheid, eigendom is vrijheid, eigendom is succes.
Kinderen worden er vroeg in getraind. De verjaardag, en Sinterklaas gaan vooral over eigendom. Cadeautjes uitpakken, dit is nu van jou. Ouders leren het expliciet: dit bakje chips is van jou, je blijft van de gitaar van je vader af, dit autootje is van je broertje. Vervolgens komt de verantwoordelijkheid: pas er goed op, wees er zuinig op, je krijgt geen nieuwe.
Eigendom wordt status. Het merk van je auto, het aantal vierkante meters van je huis, het label op je kleding. We lezen succes af aan eigendom. We beoordelen mensen op wat ze bezitten. En we beoordelen onszelf op dezelfde manier.
Het woord zegt het al. Eigen. Het tegenovergestelde van 'van de ander'. Wat eigendom toevoegt aan gewoon een tijdje gebruiken is het afzetten tegen de ander. Vandaar het hek om het huis, de labeltjes op de broodtrommel, het alarm op de auto. Het is van jou, en dus in elk geval niet van de ander.
Maar kinderen beginnen zonder dit besef. Een kind speelt met speelgoed op het moment dat het leuk is. Na enkele weken ruilt het zijn nieuwe speelgoed in voor ander speelgoed. Hebben is verbonden aan het moment, niet aan bezit. Een auto gebruik je hooguit twee uur per dag. Een huis sta je acht uur per dag voor werk niet in. Die dingen hoeven geen eigendom te zijn om ervan te genieten. Dat weet de Aboriginal beter dan wij. Hij heeft geen concept voor individueel eigendom. Land behoort tot de groep, net zoals de groep tot het land behoort. Het is een soort gebruiksrecht, vloeibaar en collectief. De kinderen daar kunnen niet 'ik heb' zeggen op de manier waarop wij dat bedoelen.
En wij? Wij zitten overladen met eigendom, bedolven onder rekeningen, schulden en verplichtingen. We hebben onszelf veroordeeld tot een leven lang werken om de dingen af te betalen die we bezitten. Of beter gezegd: de dingen die ons bezitten.
Het concept eigendom maakt kapitalisme mogelijk, erfrecht, hypotheken, de hele economie van accumulatie. Erfenis is een heilig recht, het eigendom dat overgaat van ouder op kind, alsof het in de familie hoort te blijven. Het maakt ook mogelijk dat acht mensen evenveel bezitten als de armste helft van de mensheid. Dat is geen natuurwet. Dat is een talig construct.
## Identiteit
Wie ben jij?
Het antwoord komt vanzelf. Een naam, een beroep, een nationaliteit, een gender, een set relaties. Ik ben Jan, ik ben advocaat, ik ben Nederlander, ik ben vader van twee kinderen.
Wat is er belangrijker dan identiteit? Ken jezelf, het stond al boven de tempel van Apollo in Delphi en het is nog steeds het hoogste gebod. Wees jezelf. Wees authentiek. Vind je passie. Ontdek wie je echt bent. De hele zelfhulpindustrie draait erom. Boeken over je ware zelf vinden. Cursussen over authenticiteit. Coaches die je helpen je identiteit te ontdekken. Therapie om je te verzoenen met wie je bent.
We testen het op lagere scholen en in sollicitatieprocedures. Persoonlijkheidstesten zijn een miljardenindustrie. Ben je introvert of extravert? INFJ of ESTP? Enneagram type 4 of type 7? We vullen vragenlijsten in om te horen wie we zijn, alsof er een antwoord is dat vaststaat. Alsof het ergens in ons verborgen zit, wachtend om ontdekt te worden.
En we trainen kinderen erin. Wat wil JIJ later worden? Wat zijn JOUW talenten? Wat is JOUW passie? Alsof een zesjarige een vast zelf heeft dat al weet wat het wil. De identiteitscrisis is een standaard life event geworden — de tiener die niet weet wie hij is, de dertiger die zichzelf kwijt is, de vijftiger met een midlifecrisis.
Social media maken het compleet. Het persoonlijke profiel, de bio, de personal brand. Iedereen is een merk geworden. Iedereen moet zichzelf verkopen. De identiteit is een product.
Maar dat is niet wie je bent. Dat zijn labels. Woorden die we op onszelf plakken.
Identiteit is gedefinieerd als tegenstelling: ik versus niet-ik. Dit ben ik, dat ben ik niet. Ik ben zus, ik ben niet zo. Het werkwoord 'zijn' fixeert het: ik *ben* dit. Alsof het vaststaat. Alsof het niet verandert.
Maar wie was je tien jaar geleden? Je lichaam heeft sindsdien al zijn cellen vervangen. Je ideeën zijn veranderd. Je smaak is veranderd. Je relaties zijn veranderd. Ben je dezelfde persoon die je was toen je vijf was? Vorige week?
In de chemische werkelijkheid is er geen vast ik. Er is een voortdurend veranderende stroom van moleculaire reacties. Wat we identiteit noemen is een verhaal dat we onszelf vertellen om de illusie van continuïteit te creëren. Heraclitus wist het al: niemand stapt twee keer in dezelfde rivier, want het is niet dezelfde rivier en hij is niet dezelfde man.
En dat verhaal wordt grotendeels door anderen verteld. Ouders vertelden je wie je was. Leraren beoordeelden je. Vrienden spiegelden je. De cultuur gaf je een naam, een gender, een nationaliteit, een religie. Ze vertelden je wat je leuk vond en wat je moest worden. En vervolgens zijn zij het die consequent gedrag van je verwachten. Zij eisen de consistentie.
Je bent geen identiteit. Je bent een oneindig gefragmenteerd interdependent wezen, dat geen tel dezelfde is. Het is een constructie van het secundaire systeem, gevoed door de verwachtingen van anderen. En vervolgens besteden we ons hele leven aan het verdedigen van iets wat we niet zelf hebben gemaakt.
## Vrijheid
Vrijheid is misschien wel het heiligste concept in de westerse cultuur. Niets komt erbij in de buurt. We voeren er oorlogen voor. We schrijven het in grondwetten. We noemen onszelf de vrije wereld, in tegenstelling tot de onvrije rest.
En ook hiervoor gaan we op de barricaden. Dit schrijven we zelf op vaandels en gebouwen. Vrijheid van meningsuiting. Vrijheid van godsdienst. Vrijheid van vergadering. De vrije markt. De vrije pers. Het vrije individu dat zijn eigen keuzes maakt, zijn eigen leven vormgeeft, zijn eigen geluk najaagt. The pursuit of happiness, het stond al in de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring van 1776.
De hele politieke strijd van de afgelopen eeuwen is gevoerd in naam van vrijheid. Revoluties werden ervoor uitgevochten. De liberale democratie claimt haar als fundament. Zelfs de verzorgingsstaat wordt aangevallen in naam van vrijheid, de vrijheid om niet te betalen voor een ander.
Maar wat is vrijheid eigenlijk?
Het is gedefinieerd als tegenstelling: vrij versus onvrij. Vrijheid versus slavernij, vrijheid versus onderdrukking, vrijheid versus afhankelijkheid. Je bent het een of het ander. En natuurlijk wil iedereen het eerste.
Maar niemand is vrij.
We zijn niet onafhankelijk. We zijn afhankelijk van zuurstof, van water, van voedsel. We zijn afhankelijk van andere mensen, van degenen die ons voeden, kleden, verzorgen, onderwijzen, erkennen, liefhebben. We zijn afhankelijk van de bacteriën in onze darmen, van de zon die onze gewassen doet groeien en voorziet van Vitamine D, van de zwaartekracht die ons op de grond houdt. We zijn afhankelijk van de taal die we spreken, de cultuur die ons vormde, de genen die we erfden. We zijn gemaakt, we zijn verbonden, we zijn geworfen.
In de chemische werkelijkheid is vrijheid pure onzin. Moleculen zijn niet vrij of onvrij. Ze zijn juist intrinsiek op zoek naar verbinding. Afhankelijkheid is letterlijk de andere kant van de medaille van kracht, van energie-efficiënt. De hele moleculaire dans is een dans van afhankelijkheden, van actie en reactie, van verbinding en transformatie. Er is geen molecuul dat 'kiest' om een verbinding aan te gaan. Het verbindt. Zoals wij ook verbonden zijn.
Het concept vrijheid kan alleen bestaan als er eerst een individu is dat los staat van al het andere. Een afgescheiden zelf dat onafhankelijk zou kunnen opereren. Dat concept hebben we bedacht, maar dat afgescheiden zelf bestaat niet. Het is een illusie van het woord 'individu', versterkt door het werkwoord 'zijn'. Ik *ben* vrij. Alsof dat een toestand is die je kunt bereiken en behouden.
Wat we vrijheid noemen is meestal de vrijheid om te kiezen tussen opties die anderen hebben gecreëerd. De vrijheid om te consumeren wat de markt aanbiedt. De vrijheid om te stemmen op kandidaten die we niet hebben gekozen. De vrijheid om te werken voor bazen in banen die we niet hebben bedacht. De vrijheid om te gehoorzamen of te verhongeren.
En ondertussen gebruiken we het concept om solidariteit af te breken. Als iedereen vrij is, is iedereen verantwoordelijk voor zijn eigen lot. De dakloze had ook kunnen kiezen om niet dakloos te zijn. De arme had ook kunnen kiezen om rijk te worden. De zieke had gezonder kunnen leven. Het concept vrijheid maakt het mogelijk om te zeggen: dat is niet mijn probleem.
De vrije markt betekent de vrijheid van de sterke om de zwakke te domineren. Vrijheid van meningsuiting betekent de vrijheid van de luide om meer gehoord te worden dan de stille.
Vrijheid is egoïsme verpakt als ideaal. Het is de ultieme ontkenning van onze fundamentele verbondenheid. Het is het concept dat ons toestaat om weg te kijken.
En het ironische is: hoe meer we vrijheid najagen, hoe meer we slaven worden. Slaven van werk om de vrijheid te kunnen betalen. Slaven van bezit dat onderhouden moet worden. Slaven van keuzes die ons uitputten. De paradox van de vrijheid is dat ze een gevangenis wordt.
## Tijd
Tijd is de dimensie waarin we ons bewegen. Het is eigenlijk de verschijningsvorm van verandering en transformatie. Het is zo fundamenteel dat het eigenlijk achterlijk is om het te proberen te benoemen. Het is simpelweg.
We dragen de tijd om onze pols, we hangen hem aan onze muren en kerken. We plannen onze dagen in kwartieren, onze weken in afspraken, onze jaren in doelen. De agenda is het heilige boek van de moderne mens. Tijdmanagement is een industrie. Time is money, de ultieme gelijkstelling.
Kinderen worden erin getraind vanaf het moment dat ze naar school gaan. De bel die het lesuur begint en eindigt. Het rooster dat dicteert waar ze wanneer moeten zijn. Te laat komen is een overtreding. Op tijd zijn is een deugd. We leren hun dat tijd schaars is, dat tijd niet verspild mag worden, dat tijd de vijand is die altijd wint.
Maar tijd als lijn bestaat niet.
Het is gedefinieerd als tegenstelling: verleden versus toekomst, vroeger versus later, op tijd versus te laat. Het werkwoord 'zijn' plaatst ons erop: ik *was* jong, ik *ben* volwassen, ik *zal* oud zijn. Alsof we ons langs een lijn bewegen. Alsof er een punt is dat 'nu' heet en punten die 'toen' en 'straks' heten.
Dieren leven in een voortdurend nu. Een hond kent geen verleden waar hij spijt van heeft, geen toekomst waar hij bang voor is. Hij is nu hongerig, nu moe, nu blij. De wolf plant niet, de vogel rekent niet, de vis meet niet. Ze zijn gewoon.
Hoe wij onze activiteiten indelen wordt grotendeels gedicteerd door de klok en de agenda. We worden het hele jaar op hetzelfde tijdstip wakker, en gaan ook altijd op hetzelfde moment naar bed. Werkdagen duren ook het hele jaar van negen tot vijf. We ontbijten om acht uur en dineren om zes uur. De zomervakantie begint op een vooraf vastgestelde datum en we voetballen altijd op zaterdag.
Misschien denk je dat wij met deze ordening de natuurlijke organiserende principes grotendeels volgen, maar dat valt vies tegen. De realiteit is vele malen complexer dan uren en dagen. De natuurlijke organiserende principes zijn eigenlijk de hoeveelheid licht, het jaargetijde en weersomstandigheden. De dag begint in juni op het noordelijk halfrond al om half vijf. En in december pas om negen uur. Toch zetten we de wekker het hele jaar om zeven uur. Dat zie je geen ander dier doen. De andere dieren bewegen gewoon mee met de natuurlijke ordening, in dit geval het moment dat de zon opkomt, het weer een beetje mee zit en of het paartijd is. De vogeltjes beginnen in juni om half vijf met hun vrolijke gekwetter, in december om negen uur.
Het is ook niet zo dat een dag begint als de wekker gaat. De overgang van onze slapende staat naar onze wakkere staat beweegt mee met de dageraad, zoals onze slaap meebeweegt met de schemering. En die zien er nooit hetzelfde uit. Niet op verschillende dagen maar ook niet op verschillende plekken. Als we eerlijk zijn komt de hoeveelheid licht in onze Nederlandse winter zelden verder dan een matige schemering in Zuid-Portugal.
Zelfs de maan houdt zich niet aan de indeling van dag en nacht. Stiekem zien we hem ook vaak overdag aan de hemel staan, vaak tot verbijstering van onze kinderen, want volgens onze definitie hoort dat natuurlijk niet.
Die statische formele indeling van ons leven volgens de kalender en de klok zijn duidelijk een vereenvoudiging. Maar hoe erg is dat nou helemaal? Levert het nou veel schade op? Het antwoord is eigenlijk gewoon ja.
Neem ons slaappatroon. Dat is aangeleerd. Als je kinderen hebt weet je hoe moeilijk het was om ze te laten wennen aan het slaappatroon volgens de klok. Naast dat ze af en toe wakker worden van de honger, vallen ze overdag en ’s nachts om de haverklap in slaap. Net als de meeste andere dieren overigens. Dat is niet zonder reden.
Wanneer we slapen is een resultante van een heleboel variabelen, waarvan geen te herleiden is tot een klok of een agenda. We hebben bijvoorbeeld ‘s middags allemaal een tekort aan glucose. Dan horen we dus gewoon te slapen. De Duitsers hebben er zelfs een woord voor. Zij noemen het uur tussen één en twee uur de ’Todesstunde’, het uur van de dood, en niet voor niets. In dat uur sterven aanzienlijk meer mensen dan op alle andere tijdstippen.
Melatonine is een hormoon dat vrijkomt op het moment dat het donker begint te worden. Je lichaamstemperatuur daalt ervan, waardoor je doezelig wordt en in slaap valt. Als het licht wordt, stopt de productie en word je wakker. Melatonine komt niet om elf uur ’s avonds vrij. In de zomer begint het om een uur of tien, en in de winter om een uur of vier. Sterker nog, bij veel mensen komt het in de winter de hele dag vrij, omdat het zo verrekte donker blijft. En je melatonine afgifte verandert ook nog eens gedurende je leven.
In de laatste jaren is er veel onderzoek gedaan naar de negatieve effecten van het ritme volgens de klok en de positieve effecten van dutjes. Wanneer je gewekt wordt door een wekker levert je dat niet alleen een slecht humeur op. Je verstoort ook je biologische klok, veroorzaakt stress wat weer leidt tot een verhoogde hartslag en bloeddruk. Als je elke dag de wekker zet kan dit zelfs leiden tot chronische stress. Daarnaast is het slecht voor je kortetermijngeheugen. Aan de andere kant blijkt een halve uurtje extra in de ochtend wonderen te doen. Uit een onderzoek onder pubers bleek dat ’s ochtends een half uurtje later met school beginnen maar liefst een half punt hogere score opleverde. Ook middagslaapjes doen het goed. Een dutje van een minuut of twintig zou volgens allerlei onderzoeken de productiviteit van werknemers met enkele tientallen procenten doen stijgen.
Ondanks alle negatieve effecten ruilen we de natuurlijk organiserende principes om voor een versimpeld menselijk patroon. En iedereen moet eraan geloven. Tot aan onze baby’s toe. Sommige ouders laten die kleine kruimels, als ze midden in de nacht wakker worden, zelfs bewust huilen, omdat ze moeten leren om door te slapen. De meeste ouders denken dat na zes maanden gelukt is en vertellen hun vrienden trots dat hun kind doorslaapt. Maar daar klopt niets van. Video opnames bewijzen dat acht maanden oude baby’s in 60-70 procent van de gevallen zichzelf weer in slaap krijgen. Na zich maanden tevergeefs de tranen uit hun kop te hebben gejankt, hebben ze simpelweg de hoop opgegeven dat hun ouders ze komen troosten.
Volgens hersenwetenschapper en slaapexpert Matthew Walker is de bifasische slaap – een lang nachtblok en een middagdutje –hét recept voor een lang en gezond leven:
”De gemeenschappen van middagslapers worden niet voor niets omschreven als ‘de plaatsen waar mensen vergeten te sterven’. In steden waar de siësta werd afgeschaft onder druk van de modernisering, kwamen na enkele jaren meer hart- en vaatziektes voor. In kleine enclaves van Griekenland waar de siësta in ere gehouden wordt, zoals het eiland Ikaria, is de kans dat mannen de negentig bereiken vier keer groter dan in de VS.”
Wij hebben de lijn uitgevonden. En toen hebben we onszelf eraan vastgeketend. De klok is een disciplineringsinstrument. Vóór de industriële revolutie leefden mensen op het ritme van de zon, de seizoenen, het lichaam. Ze werkten als er werk was, rustten als ze moe waren, aten als ze honger hadden. De fabriek veranderde dat. De fabriek had arbeiders nodig die op tijd kwamen, pauze hielden op commando, en vertrokken als de sirene ging. De klok maakte de arbeider controleerbaar.
Nu leven we allemaal in de fabriek. We staan op met een wekker, niet omdat we zijn uitgerust. We eten om twaalf uur, niet omdat we honger hebben. We slapen om elf uur, niet omdat we moe zijn. De klok regeert. Sommige mensen zetten zelfs een afspraak in de agenda om te vrijen.
En de prijs is hoog. We hebben altijd te weinig tijd. We zijn altijd gestrest. We missen het nu omdat we bezig zijn met straks. We leven in spijt over wat was en angst over wat komt. Het enige moment dat echt bestaat, nu, glipt steeds door onze vingers.
## Dood
De dood is het meest beladen concept in onze cultuur. Het is waar de lijn van de tijd eindigt. Het is wat het individu uitwist.
En we vrezen het. We steken enorme hoeveelheden tijd, geld en energie in het voorkomen en uitstellen van de dood. Autogordels, airbags, verkeerslichten. Ziekenhuizen, medicijnen, operaties. Gezond eten, bewegen, niet roken. We geven tachtigjarigen chemotherapie en pasgeboren baby's openhartoperaties. De hele medische industrie is een oorlog tegen de dood.
We praten er niet over. De dood is het grote taboe. We verstoppen onze stervenden in ziekenhuizen en verpleeghuizen. We laten professionals het lichaam afhandelen. Kinderen worden weggehouden van het sterven. We zeggen niet dat iemand dood is, we zeggen dat hij is heengegaan, is overleden, ons heeft verlaten, alsof hij ergens anders is.
Maar de dood is gedefinieerd als tegenstelling: leven versus dood, zijn versus niet-zijn. Het werkwoord 'zijn' maakt de illusie compleet. Ik *ben* en straks *ben* ik niet meer. Grammaticaal is het tegenovergestelde van 'zijn' het 'niet zijn'. En dat niet-zijn vullen we in met angst.
In de chemische werkelijkheid is er geen dood. Er zijn moleculen die nieuwe verbindingen aangaan. Wat wij sterven noemen is een transformatie. De moleculen die nu een lichaam vormen, vormen straks aarde, planten, andere lichamen. Niets verdwijnt. Alles transformeert. Het lichaam dat sterft valt uiteen in zijn onderdelen, en die onderdelen gaan nieuwe verbindingen aan. De atomen waaruit je bestaat zijn miljarden jaren oud. Ze waren ooit deel van sterren, van oceanen, van dinosaurussen. Na je dood zullen ze deel zijn van bomen, van wolken, van andere mensen. Er is geen einde. Er is alleen verandering.
Niet elke cultuur is bang voor de dood. Volgens de Germaanse en Viking-traditie was een goede dood er een op het slagveld tegen een moedige tegenstander. Een echte krijger wilde niet oud worden met een rollator en een gehoorapparaat. Zijn leven had alleen zin gehad als hij op zijn tachtigste verjaardag al een tijdje in Walhalla aan het drinken was.
Taal verkloot de relatie met ons einde. We kunnen niet alleen 'de sterfelijke mens' zeggen, maar ook nadenken over 'de sterfelijkheid' en over 'de onsterfelijkheid'. Alsof dat laatste bestaat. Toch is de mens is al tweeduizend jaar op zoek naar de bron van eeuwig leven. Van mythische fonteinen tot alchemistische elixers tot moderne cryogenics. Een zoektocht naar iets dat alleen in taal bestaat.
## Vooruitgang
Vooruitgang is de centrale mythe van de westerse cultuur. Het is de richting waarin de tijdlijn beweegt. Het is waar het individu en de soort naartoe gaan.
En we vieren het. We leren het op school: de geschiedenis als een lijn van primitief naar beschaafd, van donker naar verlicht, van arm naar rijk. De prehistorie, de oudheid, de middeleeuwen, de moderne tijd. Elke periode beter dan de vorige. De grafiek gaat omhoog.
We meten het. BNP, levensverwachting, alfabetiseringsgraad, technologische ontwikkeling. De cijfers moeten elk jaar hoger. Groei is het doel. Stilstand is achteruitgang. Een economie die niet groeit is een economie in crisis.
Maar vooruitgang is gedefinieerd als tegenstelling: vooruit versus achteruit, ontwikkeld versus onderontwikkeld, modern versus primitief. Alsof er een lijn is waarop alle culturen geplaatst kunnen worden. Alsof wij vooraan staan.
De natuur kent geen vooruitgang, alleen aanpassing. Twee krachten bepalen dat spel. De verandering van context en de mutatie in die context. Winnen nu, kan later verliezen betekenen. Winnen kan je ook omdat een ander verliest. En ever verliezen, kan even later via de achterdeur weer winst opleveren.
Het concept vooruitgang meet wat we op de korte termijn winnen, niet wat we verliezen. We meten de toename van levensverwachting, niet de afname van levensvreugde. We meten de groei van de economie, niet de krimp van de biodiversiteit. We meten de snelheid van communicatie, niet de diepte van verbinding.
En we gebruiken het concept om vernietiging te rechtvaardigen. De kolonisatie was vooruitgang, we brachten beschaving. De industrialisatie was vooruitgang, we brachten welvaart. De digitalisering is vooruitgang, we brengen verbinding. Nou kan je je afvragen, waar is die beschaving, die welvaart, die verbinding.
## Succes
Succes is de maatstaf van een individueel leven. Het is hoe ver je bent gekomen op de lijn van vooruitgang. Het is het bewijs dat je je vrijheid goed hebt gebruikt, je identiteit hebt waargemaakt.
De succesvolle ondernemer op de cover van het zakenblad. De succesvolle carrière met de bijbehorende auto, het huis, het horloge. De succesvolle influencer met miljoenen volgers. We maken lijstjes: de rijkste mensen, de machtigste mensen, de meest invloedrijke mensen. We rangschikken. We vergelijken. We bewonderen.
Kinderen worden erin getraind. Het rapport met cijfers. De ranglijst in de klas. De diploma's die deuren openen of sluiten. Wat wil je later worden? Iets succesvols. Of nog erger, rijk. Succes is het doel van de opvoeding, van het onderwijs, van het hele leven.
Maar succes is gedefinieerd als tegenstelling: succes versus falen, winnaar versus verliezer, bovenaan versus onderaan. Je bent het een of het ander. En natuurlijk wil iedereen het eerste.
We meten succes in geld, in status, in bezit. In het aantal vierkante meters van je huis, het merk van je auto, de hoogte van je functie. In cijfers, in ranglijsten, in volgers. Maar wat meet je eigenlijk?
Een succesvolle advocaat die elke avond uitgeput thuiskomt en zijn kinderen niet ziet opgroeien, is dat succes? Een CEO die drie hartaanvallen heeft gehad voor zijn vijftigste, is dat succes? Een influencer met een miljoen volgers die 's nachts niet kan slapen van de angst om irrelevant te worden, is dat succes?
Succes is een spelletje dat we hebben verzonnen. Met regels die we zelf hebben bedacht. En dan verbazen we ons erover dat de winnaars niet gelukkig zijn.
Op ons sterfbed zegt niemand: ik wou dat ik succesvoller was geweest. We zeggen: ik wou dat ik meer tijd had doorgebracht met mensen van wie ik hield. We zeggen: ik wou dat ik meer had geleefd. Maar dan is het te laat. De lijn is doorgeknipt. Het succes blijkt leeg.
## Huwelijk
Het huwelijk is het contract tussen twee individuen. Het is de manier waarop we liefde hebben geïnstitutionaliseerd, controleerbaar gemaakt, ingepast in het systeem.
En wat een feest! De bruiloft is een van de grootste rituelen die we kennen. De witte jurk, de ringen, de taart, de gasten, de foto's. Hele industrieën draaien erop. Trouwmagazines, weddingplanners, huwelijksreizen. De dag die de mooiste van je leven moet zijn.
Kinderen worden erin geoefend. Prinsessen trouwen met prinsen. En ze leefden nog lang en gelukkig. Het sprookje eindigt met het huwelijk, alsof daarna niets meer hoeft te gebeuren. Meisjes dromen van hun bruiloft voordat ze weten wat liefde is.
Maar het huwelijk is gedefinieerd als tegenstelling: getrouwd versus ongetrouwd, samen versus alleen, trouw versus ontrouw. Het werkwoord 'zijn' fixeert het: ik *ben* getrouwd. Alsof dat een permanente staat is. Alsof mensen niet veranderen.
De projecties dwingen ons om het huwelijk te begrijpen als een contract tussen twee mensen, waarbij ze afspreken exclusief elkaars partner te zijn, voor de rest van het leven, en dan het liefst met kinderen. Monogamie is de norm. Afwijking is verraad.
Maar liefde is geen contract. Liefde is een chemische toestand — oxytocine, dopamine, serotonine. Het komt en het gaat. Het verandert van vorm. Het verdampt soms.
In de chemische werkelijkheid is liefde vloeibaar en grillig. Moleculen binden zich niet voor het leven. Ze verbinden en lossen op, reageren en transformeren. De chemie tussen twee mensen op hun trouwdag is niet dezelfde chemie als twintig jaar later. Hoe kan een contract dat regelen?
Dieren houden van hun partners, hun kinderen, hun groep. Maar ze beloven niets. Ze verwachten niets. Ze zijn gewoon bij elkaar zolang het goed voelt, of werkt. Er is geen zwaanondertekening die hen bindt aan een toekomst die nog niet bestaat.
Tegenwoordig meten we het succes van een huwelijk af aan de jaren dat het standhoudt, en aan hoe monogaam de relatie verloopt. Maar dat zegt niets over de kwaliteit van de liefde. Een huwelijk van vijftig jaar waarin twee mensen elkaar al dertig jaar niet meer aanraken, geldt als succesvoller dan een relatie van vijf jaar vol passie die eindigt als beide partners veranderd zijn.
Het concept huwelijk maakt controle mogelijk. Het maakt eigendom van mensen mogelijk, historisch was de vrouw letterlijk bezit van de man. Het maakt erfrecht mogelijk, kinderen moeten legitiem zijn. Het maakt de staat mogelijk, die registreert, certificeert, belast.
En ondertussen leiden mensen aan de kloof tussen de chemische werkelijkheid van hun gevoelens en de talige constructie van hun contract.
## Vijand
De vijand is het individu of de groep die je mag doden. Het is het concept dat geweld legitimeert, oorlog mogelijk maakt, empathie uitschakelt.
En we cultiveren het. De geschiedenis wordt verteld als een strijd tegen vijanden. De Perzen, de barbaren, de ongelovigen, de nazi's, de communisten, de terroristen. Er is altijd een vijand. En als er geen is, maken we er een. De media voeden het. De vijand heeft geen gezicht, een naam, een vlag. De vijand is anders dan wij. De vijand wil ons kwaad doen. De vijand moet worden gestopt. Maar vijand is gedefinieerd als tegenstelling: vriend versus vijand, wij versus zij, goed versus kwaad.
De grammaticale constructie maakt alles mogelijk. Want als iemand de vijand *is*, dan is hij geen vader, geen zoon, geen minnaar. Dan is hij geen mens met angsten en dromen en mensen die van hem houden. Dan is hij alleen maar vijand. En een vijand mag je doden.
Elke keer dat een soldaat een geweer draagt, een bommenwerper bestuurt of op de knop van een raket drukt, reduceert hij zijn doelwit tot 'vijand'. Die vereenvoudiging is noodzakelijk. Niemand kan een vader van kinderen neerschieten. Niemand kan een zoon van een moeder bombarderen.
De hond kent geen vijanden. Hij kent dreiging, een groter dier, een gevaar, maar geen abstracte categorie van wezens die vernietigd moeten worden. Hij vecht als het moet, vlucht als het kan, en vergeet zodra de dreiging voorbij is. Er is geen eeuwige vijand in de dierenwereld.
Alleen wij dragen vijandschap generaties lang mee. Alleen wij leren onze kinderen wie de vijand is voordat ze hem ooit hebben ontmoet. Alleen wij doden mensen die we niet kennen omdat ze behoren tot een categorie die we hebben verzonnen.
## Grens
De grens is waar mijn groep eindigt en de andere begint. Het is de ruimtelijke versie van de vijand. Het is wat land verdeelt in eigendom.
Zo, en wat maken we daar een feestje van. De nationale feestdag. De vlag. Het volkslied. De grenspaal waar je naast poseert voor een foto. De douane die je paspoort stempelt. We zijn trots op wat binnen de grens valt. En wat daarbuiten valt, daar moeten we vaak weinig van weten.
Kinderen wordt geleerd dat de wereld uit landen bestaat. De landkaart met gekleurde vlakken. De strepen erop lijken wel echt. Maar de grens is een abstractie. Loop over de grens tussen Nederland en België. Wat zie je? Gras. Bomen. Misschien een weggetje. Niets verandert. De moleculen aan de ene kant zijn dezelfde als aan de andere kant. De vogels vliegen over. De wind waait door. De rivier stroomt.
Grens is gedefinieerd als tegenstelling: binnen versus buiten, eigen versus vreemd, burger versus buitenlander. Het werkwoord 'zijn' maakt het absoluut: ik *ben* Nederlander. Alsof dat een eigenschap is van je wezen en niet een administratieve toevalligheid.
In de chemische werkelijkheid bestaan geen grenzen. Broers kunnen naast elkaar wonen en in verschillende landen. De Rijn voelt zich niet anders in Duitsland. Er zijn wel territoria, maar die zijn dynamisch en veranderlijk. Ecosystemen zijn een aardige verdeling van land, als je toch iets wilt afbakenen. Maar ook ecosystemen zijn niet absoluut, hebben geen harde grens, en interacteren met andere ecosystemen. Culturen misschien, maar die zijn hyperlokaal, en ook aan verandering onderhevig. Die lijnen zijn gewoon te statisch.
Grenzen zijn getekend, getrokken na oorlogen, getekend op conferenties, vaak na bloedige oorlogen. De rechte lijnen door Afrika, dwars door stammen, families, ecosystemen, zijn met een liniaal getrokken door Europeanen die er maar even waren.
En toch sterven mensen voor grenzen. Toch verdrinken mensen op zee omdat ze de verkeerde kant van een lijn zijn geboren. Toch sluiten we kinderen op in kampen omdat hun ouders een grens hebben overgestoken die niet bestaat.
De natie is de groep die binnen de grens woont. De verbeelde gemeenschap, noemde Benedict Anderson het. Verbeeld, want je zult de meeste leden nooit ontmoeten. Verbeeld, want wat je deelt is niet chemisch maar verzonnen, een concept: samen hopen dat Nederland het EK weer eens wint.
## Normaal
Normaal is de maatstaf waaraan individuen worden gemeten. Normaal is het tegenovergestelde van abnormaal. Best gek eigenlijk. Dat één ding normaal is en al het andere abnormaal.
Normaal gedrag is wenselijk. We. Dwingen het af. Normale kleding. Normale ideeën. Normale seksualiteit. Normale ambitie. Normale gevoelens. Wie normaal is, hoort erbij. Wie abnormaal is, valt buiten.
Kinderen worden erin getraind. Doe normaal. Gedraag je. Val niet op. De school is een normalisatiemachine. Iedereen dezelfde vakken, dezelfde toetsen, dezelfde regels. Wie afwijkt krijgt straf, een label, een diagnose.
Normaal is natuurlijk een vreemd concept. Het is geen gemiddelde, of zo. Het is een soort onzichtbare knevel, verzonnen door mensen die zo weinig persoonlijkheid hebben dat niets aan hen opvalt. Mensen zonder originaliteit, inventiviteit, of intrinsieke motivatie. En die hebben samen bedacht dat de mensen met meer persoonlijkheid dan zij veel meer aandacht en waardering krijgen dan zij. Dus hebben ze een stilzwijgend bondje gesloten, in de achtertuin van hun Phoenix wijk woning hebben ze afgesproken dat mensen die wel zelfstandig de grenzen van het bestaan onderzoeken het label abnormaal krijgen. Of apart, of gek, of vreemd.
In de chemische werkelijkheid is er geen normaal. Elke moleculaire configuratie is uniek. Geen twee lichamen zijn identiek. Geen twee breinen werken hetzelfde. Variatie is niet alleen de regel, maar essentiële voorwaarde voor overleving. Zonder afwijking geen aanpassingsvermogen. Zonder variatie zou de soort al lang niet meer bestaan. Dan waren de lemmingen al lang van de klif afgewandeld. De gekken, de buitenbeentjes, de onaangepaste, zij zijn de mutaties die de soort verder helpen.
Maar wij hebben van variatie een probleem gemaakt. We diagnosticeren. We medicaliseren. We normaliseren. ADHD, autisme, dyslexie, labels voor breinen die anders werken. Niet slechter. Anders. Maar anders is abnormaal, en abnormaal moet worden gecorrigeerd.
De terreur van het normale houdt iedereen klein. Wie opvalt wordt teruggeduwd. Wie uitsteekt wordt afgezaagd. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg, het Nederlandse gezegde vat de hele cultuur samen.
En ondertussen voelen miljoenen mensen zich verkeerd. Niet omdat ze verkeerd zijn. Maar omdat het keurslijf van onze soort als een negatieve tegenstelling is geformuleerd.
## Waarheid
Als er iets absoluut klinkt is het wel waarheid. Waarheid is de ultieme claim. Alsof er een objectief perspectief is, dat als enige juist is. Het streven naar die waarheid, is de legitimatie achter elke beslissing.
En we eisen het. De wetenschap zoekt de waarheid. De rechtbank wil de waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid. De journalist rapporteert de waarheid. De politicus beweert hem te spreken. De religie claimt hem te bezitten.
We vechten erom. Oorlogen zijn gevoerd in naam van de waarheid. Mensen zijn gemarteld om de waarheid te vertellen. Ketters zijn verbrand omdat ze de verkeerde waarheid geloofden. Nog steeds zijn er landen waar je gevangen wordt gezet voor het spreken van de waarheid, of wat de macht als onwaarheid bestempelt.
Maar ook waarheid is gedefinieerd als tegenstelling: waar versus onwaar, feit versus fictie, juist versus onjuist. Het werkwoord 'zijn' maakt het absoluut: dit *is* waar. Niet: dit lijkt mij waar. Niet: vanuit mijn perspectief is dit waar. Het *is* waar. Punt.
Die grammaticale constructie claimt toegang tot een objectieve werkelijkheid. Een werkelijkheid die los staat van de waarnemer. Een werkelijkheid die *is* wat ze *is*, onafhankelijk van wie er kijkt.
Je kan je afvragen waar de behoefte aan waarheid vandaan komt. Het antwoord is niet te vinden in een perfecte sfeer, niet, maar bijna toegankelijk voor ons. De oorsprong van het woord is Oud Germaans. Wãra betekent betrouwbaarheid, of iets waar je op kan vertrouwen. Dat is veel meer een sociaal construct. ‘Daar is water’, is dan bijvoorbeeld een wãra. In die fysieke wereld werkt dat prima. Praktische informatie, op basis waarvan je keuzes kan maken. Maar ja, dan passen wij weer de absolute tegenstelling toe. Het ware tegenover het onware. En dan zetten we er ‘de’ voor en dan kan je ineens op zoek naar ‘de waarheid’. En dat is er dus niet.
## Rechtvaardigheid
Rechtvaardigheid is de morele orde van de wereld. Het is de belofte dat dingen op een bepaalde manier horen te gaan, dat gedrag consequenties heeft, dat het goede beloond wordt en het kwade gestraft.
En we verlangen ernaar. Wie goed doet, goed ontmoet. Wie hard werkt, wordt beloond. Wie kwaad doet, wordt gestraft. Dat is de belofte.
We bouwen er systemen voor. Het rechtssysteem, de politie, de gevangenis. Wetten die gedrag reguleren, straffen die gedrag corrigeren. De hele juridische machine draait op het idee dat rechtvaardigheid mogelijk is, dat schuld vastgesteld kan worden, dat straf verdiend is.
Die rechtvaardigheid die we zoeken is een andere dan die we aantreffen in de wereld. Daar zijn alleen maar dingen die interacteren, met een bepaald gevolg. Dat gevolg kan voordelig zijn voor het ene, en nadelig voor het andere, of elke variant daarvan, maar het is geen verdienste en straf. Geen schuld, geen boete. De tsunami maakt geen onderscheid tussen de heilige en de zondaar. Het virus treft de goede en de kwade. De bliksem slaat in waar de fysica het dicteert, niet waar de moraal het verdient. Goede mensen sterven jong. Slechte mensen worden rijk. Kinderen krijgen kanker. Dictators sterven vredig in hun slaap. De werkelijkheid is niet rechtvaardig. De werkelijkheid is.
Met alle macht proberen we hem rechtvaardig te maken. Zoals wij hebben bedacht dat de wereld hoort te gaan. Omdat het idee van willekeur voor ons ondraaglijk is.
En ondertussen leven we in een wereld, die onrechtvaardiger is dan ooit. Zeven rijkste mensen bezitten evenveel dan de armste vier miljard samen. Big corporates hebben legers advocaten in dienst die niet als taak hebben om rechtvaardigheid af te dwingen, maar de randjes en de loopholes in wetgeving te zoeken, om zo onrechtmatig mogelijk op een juridisch wettige manier te zijn. Hoe rechtvaardig is het dat vier generaties de aarde zo vervuilen dat onze kinderen er niet meer op kunnen leven? Waar is het tribunaal voor die onrechtmatigheid?
Rechtvaardig is een papieren tijger vermomd als moraal. De spelregels zijn niet waardevrij en worden aan de lopende band gemanipuleerd door hen die al het meeste profiteerden, ten koste van zij die er al het meest onder gebukt gingen.
## God
God is het absolute belichaamt in één figuur. Hij is eeuwig, ten opzichte van onze tijdelijkheid. Hij is alwetend, ten opzichte van ons gelimiteerde perspectief. Hij is goed, ten opzichte van al onze beperkingen en zonden. Hij is elke absoluut, met een plusje, in één idee. Haha, het ultieme construct van het secundaire systeem. Het idee van een man achter de touwtjes van de realiteit.
En we aanbidden. Tempels, kerken, moskeeën, in elke cultuur zijn er gebouwen voor God. Rituelen, gebeden, offers, in elke cultuur zijn er handelingen voor God. Heilige boeken, profeten, priesters, in elke cultuur zijn er mensen die spreken namens God. God is het meest succesvolle concept dat de mensheid ooit heeft bedacht. Miljarden mensen geloven. Oorlogen worden gevoerd in zijn naam. Levens worden aan hem gewijd. De hele geschiedenis is doordrenkt van God.
In de chemische werkelijkheid is wel een God. Maar dat is niet onze God. Dat is de God van de realiteit. En die is voor ons simpele zielen vaak willekeurig.